Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontkomen die voor onze voeten gespannen worden, of ons te beschermen tegen de aanvallen welke ons hier bedreigen."

Het gelaat der Spaansche had onder deze toespraak allengs de hatelijke en booze uitdrukking verloren die het ontsierde; hare trekken waren merkelijk opgehelderd.

Zij had over hare woorden nagedacht, en thans speet het haar dat zij die in een oogenblik van toorn gesproken had.

Zij wenschte nu dat zij zich haar geheim niet zoo onbedachtzaam had laten ontglippen. Intusschen hoopte zij dat het nog niet te laat was om het weder meester te worden, en met die gevatheid, die de vrouwen schijnt aangeboren, en die zij onder zekere omstandigheden zoo geducht weten aan te wenden, trachtte zij Ellen tot andere gedachten te brengen en bij haar den slechten indruk uit te wisschen, die hare dwaze oploopendheid had teweeggebracht.

Zij beantwoordde dus de Amerikaansche met een fijn glimlachje en met eene allerminzaamste stem:

„Gij waart goed, Senorita; ik heb de zorgen niet verdiend die gij aan mij hebt willen besteden, noch de zachte woorden die gij mij hebt toegevoegd, na hetgeen ik u heb durven zeggen. Maar geloof mij, ik ben meer ongelukkig dan slecht. Als een arm verlaten kind, opgenomen door de bandieten onder welke gij mij gezien hebt, zijn de eerste klanken die mijne ooren troffen moordkreten, en de eerste lichten die in mijne oogen schitterden vlammen van brandstichting geweest. Mijn gansche leven is in de wildernis voorbijgegaan, ver van de steden, waar men zegt dat zooveel goeds te leeren is. Ik ben een moedwillig en bedorven kind; maar geloof mij, Senorita, mijn hart is goed; ik weet een ontvangen weldaad te waardeeren en in gedachtenis te houden. Helaas! een jongmeisje, in mijne omstandigheden is meer te beklagen dan te beschuldigen.'

„Arm kind!" antwoordde Ellen ondanks zich zeiven verteederd „zoo jong en reeds zoo ongelukkig!"

„Ja! ja, wel ongelukkig," hervatte de Spaansche. „Nooit heb ik de liefkoozingen eener moeder gekend, en de eenige familie die ik ooit had, waren de roovers en vrijbuiters die met de Apachen het dorp hebben aangevallen."

De beide meisjes zaten thans naast elkander, arm in arm gestrengeld en met het hoofd op elkanders schouder als twee schuchtere duifjes. Zij praatten langen tijd samen en verhaalden elkander haar levensloop. Ellen, met de gulle oprechtheid en openhartige vrijmoedigheid die den grond van haar karakter uitmaakten, liet zich van lieverlede door de vleiende aanmerkingen der Gazelle wegsleepen om haar al de geliefkoosde geheimen van een twintigjarigen leeftijd, wanneer het leven nog zoo schoon en hoopvol is, te vertellen, zonder op te merken dat deze gevaarlijke vrouw, haar geheel door zoete lachjes en vriendelijke woordjes wist te betooveren om haar gedurig tot meer vertrouwelijkheid op te wekken, terwijl zij zelve tegenover haar de grootste geheimhouding in acht nam.

Sluiten