Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem nimmer van gesproken had, maar die hij sinds lang had kunnen vermoeden; terwijl dus de zaak zich ernstig genoeg liet aanzien en Ellen van oogenblik tot oogenblik groot gevaar liep, welk gevaar hij op de eene of andere wijs moest zien af te wenden, besloot Valentin met de Gazelle een praatje te houden, om zoo mogelijk een helderen blik in haar hart te kunnen slaan.

Mocht hij echter met een zoet lijntje niets uit haar kunnen krijgen, dan zou hij haar niet ontzien, ten einde zulk een zachtzinnig en weerloos meisje als Ellen, niet langer prijs te geven aan de trouwelooze handelingen eener wreedaardige vrouw,die totalles in staat wasen zich in hare gruwzame voornemens door niets scheen te laten weerhouden.

Valentin wierp een blik in het rond.

Ellen reed twee honderd passen vooruit, tusschen de Arends-Veer en don Pablo.

Hierdoor gerustgesteld, wendde hij zich tot de Spaansche, die op dit oogenblik in een levendig, maar half fluisterend gesprek was met Pedro Sandoval.

Het meisje bloosde en hield met spreken op. Valentin deed alsof hij niet merkte dat zijne tegenwoordigheid de beide sprekers zeer onwelkom was, maakte voor de Gazelle eene lichte buiging en sprak haar aan met eene vriendelijke stem.

„Ik vraag u wel verschooning, Senorita," zeide hij, „zoo ik uw gesprek, dat zonder twijfel zeer belangrijk is, storen mocht, maar ik heb behoefte om mij eenige oogenblikken met u te onderhouden."

De Gazelle bloosde nog sterker dan te voren, uit hare oogen schoot een donkere blik, dien zij echter met hare lange wimpers zooveel mogelijk poogde te bedekken; zij hield haar paard in en antwoordde met eene bevende stem:

„lk ben gereed u te hooren, Senor caballero."

„Blijf niet staan, bid ik u, Senorita," zeide Valentin. „Deze waardige man, die ongetwijfeld al uwe geheimen deelt," vervolgde hij met een ironieken lach, „mag ons gesprek wel bijwonen, dat overigens ook hem aangaat."

,,'t Is waar," hervatte zij op vaster toon, terwijl zij haar paard weder liet voortstappen; „ik heb voor dezen waardigen man, zooals gij hem wel gelieft te noemen, niets te verbergen."

„Zeer goed, Senorita," hernam de jager altijd even bedaard, „wil mij intusschen niet kwalijk nemen wat ik u te zeggen heb, en eene vraag beantwoorden die ik zoo vrij zal zijn u te doen."

„Is het dan een verhoor dat gij mij wilt laten ondergaan?"

„Dat zoozeer niet, ten minste niet op dit oogenblik; het zal alleen van u afhangen, Senorita, of wij de grenzen van een vriendschappelijk onderhoud overschrijden."

„Spreek, mijnheer; als de vraag die gij mij voorstelt van dien aard is dat ik er op antwoorden kan, zal ik u voldoen."

„Zeg mij dan eens, Senorita, of gij gisteren, na uw tamelijk wreed gedrag gedurende den aanval op het dorp jegens mij en

Sluiten