Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sarcastischen toon, „en ik ga dus over tot de tweede vraag die ik u wilde voorstellen."

„Inderdaad, mijnheer, het schijnt dat gij, evenals de jueces de letras (rechters-crimineel) uwe confraters," hervatte zij met bitterheid, „al de vragen van mijn verhoor goed in uw hoofd hebt, want ondanks de beleefde termen waarmede gij mij wel wilt vereeren, blijf ik in hetgeen gij een onderhoud gelieft te noemen, niets anders zien, dan een gerechtelijk verboor."

„Zooals gij goedvindt, Senorita," antwoordde Yalentin met onverstoorbare koelbloedigheid en kalmte; „als gij mij slechts wilt beantwoorden hoe het komt, dat gij, in weerwil van uw eigen getuigenis aangaande de goede behandeling die gij van ons ondervonden hebt, alle erkentelijkheid en eergevoel ter zijde stellende, dezen nacht in het dorp der Comanchen, met twee schurken een komplot hebt gesmeed om van daag het lieve, onschuldige meisje op te lichten, daar gij het behoud van uw leven aan te danken hebt, en haar als slavin uit te leveren aan de meest verwilderde Indianen der prairie, namelijk aan de Sioux?"

XXIX.

DE MOORDAANSLAG.

Al ware de bliksem voor de voeten der Gazelle ingeslagen, zou zij niet erger geschrikt zijn dan door deze met eene heldere, vaste en bedaarde stem uitgesproken verklaring, die zij wel verre was van te verwachten. Haar aangezicht vertrok geweldig, het bloed steeg haar naar het hoofd, zij wankelde in den zadel en zou zeker gevallen zijn, zoo Yalentin haar niet had opgehouden.

Maar door kracht van wil de vreeselijke ontroering bedwingende die haar overmeesterd had, stiet zij den jonkman terug en zei tegen hem met eene ferme stem en op onverzoenden toon:

„Gij zijt onderricht, mijnheer, dat was mijn voornemen."

Valentin stond een oogenblik als verslagen. Hij staarde deze vrouw aan, nog nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, zoo schoon van gestalte, met hare heerlijke trekken, thans misvormd door de driften die haar bezielden, zij was bijna afzichtelijk geworden; hij dacht onwillekeurig aan eene andere vrouw, die hij vroeger gekend had *); een onuitsprekelijk gevoel van smart, overmeesterde hem bij deze treurige herinnering, hier plotseling in zijn geheugen teruggeroepen; zooveel trouweloosheid scheen hem toe alle palen der menschelijke boosheid te overschrijden : het was alsof hij een duivel voor zich zag.

„En dat durft gij mij ronduit bekennen," hervatte hij eindelijk met kwalijk ontveinsden afschuw.

i) De Linda. — Zie Aimard. Het Opperhoofd der Aucas, bij denzelfden Uitgever.

Sluiten