Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■zijne hongerige beren te bezadigen, die hem al zoo lang achter de broek hebben gezeten."

Dit schamper gezegde klonk mij des te beleedigender omdat het waarheid behelsde. Mijne bezittingen waren reeds voor meer dan de waarde verpand, zij bestonden alleen nog op het papier, en ik werd dagelijks door een aantal schuldeischers bestormd. Ik trad naar don Sebastian en keek hem strak in 't gezicht. „Om u te bewijzen," zeide ik, „dat ik niet bang ben om te verliezen, stel ik u voor, met u in ééne partij te wagen wat ik sedert de twee laatste uren heb gewonnen." Don Sebastian keek mij op zijne beurt een oogenblik aan, en zeide mij toen op zijn gewonen scherpen en spottenden toon:

,.Gij doet verkeerd, waarde heer, dat geld hebt gij hard noodig, en als ik zoo dwaas was om met u te spelen, zeg ik u dat gij het zoudt verliezen."

Hij lachte mij uit in mijn gezicht en keerde mij den rug toe.

„O neen," zei ik, „gij zijt bang, waarde heer! En wat meer is, gij bezit waarschijnlijk de vierde part niet van de som die hier op tafel ligt, daarom durft gij niet spelen."

Don Sebastian haalde de schouders op, zonder mij rechtstreeks te antwoorden, maar wendde zich tot den rijksten bankier van Arispe, die naast hem stond.

„Senor don Julio Baldomero," zeide hij, „op hoeveel schat gij wat daar op de tafel ligt?"

De bankier keek naar de tafel, bedacht zich een oogenblik en antwoordde:

„Zesmaal honderdduizend piaster, ten naastenbij, mijnheer."

„Zeer goed," hervatte de Mexicaan. „Don Julio, wilt gij zoo goed zijn voor mij een bon van twaalf maal honderd duizend piasters te schrijven, betaalbaar op zicht, aan uw kantoor."

De bankier boog zonder te spreken, haalde zijn brieftasch uit zijn zak en schreef eenige woorden op een blad papier, dat hij er uitscheurde en aan don Sebastian overhandigde.

„Gelooft gij nu, mijnheer," vroeg mij de Mexicaan, „dat deze bon genoeg is om de som te dekken die daar voor u op de tafel ligt?"

Deze woorden gingen gepaard met den gewonen sarcastischen glimlach, die op zijne lippen als bestorven was en mij bijna razend maakte.

„Ja," antwoordde ik trotsch, „en ik wacht op uw besluit."

„Dat is reeds genomen," zeide hij; „vraag een nieuw spel kaarten en wij zullen beginnen. Maar gij kunt er nog af als gij wilt."

„Neen, neen, wij zullen spelen," riep ik, terwijl ik het nieuwe spel kaarten ontzegelde.

Ofschoon onze woordenwisseling slechts kort geduurd had, wist ieder in de zaal toch reeds welk een bittere strijd er tusschen ons gaande was; de gesprekken werden dus onmiddellijk gestaakt en al de aanwezigen in de tertulia schaarden zich om ons heen. Er heerschte een diepe stilte in de zaal, op aller aangezicht teekende zich de grootste nieuwsgierigheid en belangstelling hoe deze buitengewone

De Roovers der Prairiën. 13

Sluiten