Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik luister," antwoordde hij.

„Het toeval bracht ons eenmaal bij elkander," vervolgde zij min of meer gejaagd, „de dag en het uur zijn mij onvergetelijk. Ik weet niet wat er in mij omging, maar zoodra ik u zag, gevoelde ik mij gelukkig en ongelukkig tegelijk; mijn hart werd mij te eng toen gij, na mijne broeders te hebben uitgedaagd, heen gingt, en ik volgde u met de oogen zoolang ik utusschen de boomen in het bosch zien kon. Daarop keerde ik mijmerend naar de hut terug; maar ik gevoelde dat mijn lot beslist was; uwe woorden klonken mij gedurig in de ooren, uwe beeltenis bleef mij voor oogen, en toch waart gij mij als een vijand verschenen en waren uwe woorden bedreigingen geweest. Van waar deze zonderlinge ontroering die mij toen aangreep?"

Hier hield zij op.

„O! dat was liefde, dat was omdat gij mij bemindet, Ellen," riep de jonkman levendig getroffen.

„Ja, niet waar?" hernam het naïeve kind der woestijn, „dat is nu wat men liefde noemt; helaas!" vervolgde zij bewogen, terwijl er een traan in haar oog blonk en langs hare bleeke wangen biggelde, „waar moet die liefde op uitloopen? Ik, dedochtervan een verbannen geslacht, ik ben bij u niet als eene vriendin maar als een gevangene, of ten minste als gijzelaarster; uwe kameraden verachten, ja haten mij misschien, omdat ik de dochter ben van hun bittersten vijand, den man dien zij gezworen hebben aan hunne wraak te zullen opofferen."

Don Pablo liet het hoofd hangen en zuchtte.

„Wat ik u zeg is immers waar?" vervolgde zij, „gij zelf zijt genoodzaakt om het toe te stemmen."

„Ja! maar ik zal u beschermen, ik zal u redden," riep hij in vervoering.

„Neen," antwoordde zij met eene krachtige stem, „neen, don Pablo, dat kunt gij niet, want gij zoudt mij tegen uw eigen vader moeten verdedigen. Gij zoudt het niet durven, en zoo gij het dorst te doen," liet zij er met een fleren blik op volgen, „dan zou ik het nog niet gedoogen!"

Zij zwegen een poos.

Ellen hervatte:

„Laat mij mijne lotsbestemming volgen, don Pablo, zie van deze liefde af, die op niets anders dan op ons beider ongeluk kan uitloopen ; vergeet mij!"

„Nooit!" riep hij, „nooit, Ellen. Ik bemin u, Ellen, ik zal alles voor u opofferen, mijn leven zelfs zoo gij het beveelt."

„En ik dan," antwoordde zij zacht, „denkt gij dan dat ik u niet bemin?.... Heb ik u dat niet krachtig genoeg bewezen?.... Heb ik voor u mijn vader niet verraden? Maar gij ziet, ik ben sterk, ik beheersch mij zelve; volg gij mijn voorbeeld en waagu niet aan een dwazen strijd."

„Wat er ook gebeure, ik zal u altijd liefhebben, Ellen, wat geef

Sluiten