Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het mijn vader ontfutseld eer ik met uwe zuster zijn kamp verliet. Bewaar het zorgvuldig, zoodat, als het God behaagt ons weder bij elkander te brengen, gij het mij kunt teruggeven."

„Ik beloof het u."

„Nu weet gij dat ik u bemin, don Pablo, en dat uw naam, wat er ook gebeure, de laatste zijn zal die op mijne lippen komt als ik sterf."

„O! laat mij gelooven, laat mij hopen, dat ik misschien nog eens..."

„Neen! nooit!" riep zij met onbeschrijfelijken nadruk, „hoe groot mijne liefde wezen mag, het bloed van mijn vader zal ons eeuwig scheiden!"

De jonkman boog verslagen het hoofd bij dit woord — als voor een onverbiddelijken banvloek, die hem verpletterde, door hem opeens te doen zien in welk een diepen afgrond hij was nedergestort.

Zwijgend reden zij naast elkander voort.

De Sachem der Coras, zooals wij vroeger gezegd hebben, diende de karavaan tot gids, en toen zij aan eene plaats kwamen waar het pad dat zij volgden een vrij scherpen hoek maakte en opeens naar de rivier afdaalde, bleef hij staan en bootste het geschreeuw van den ekster na.

Op dit signaal gaf Yalentin zijn paard de sporen en reed in galop naar hem toe.

„Wat is er voor nieuws?" vroeg hij.

„Niets, antwoordde het opperhoofd, „niets anders, dan dat wij binnen een paar minuten aan het eiland komen waar de RoodeCeder zijn kamp heeft gevestigd."

„Ha, ha!" riep Yalentin, „dan moeten wij halt maken."

De jagers stegen af en verscholen zich in de struiken.

Aan de oevers der rivier was alles doodstil.

„Hum! mompelde Valentin, „ik geloof dat de vogel gevlogen is."

„Dat zullen we spoedig zien," antwoordde de Arends-Veer.

Met al de vaardigheid die den lieden van zijn ras eigen is, sloop hij van boom tot boom, en verloren zijne kameraden hem spoedig uit het gezicht.

Deze wachtten in roerlooze stilte, met de oogen onafgewend op het punt gericht waar hij, om zoo te zeggen, verdwenen was.

9 moesten vrij lang wachten.

Eindelijk, na verloop van ten minste een uur, liet zich een zacht in de struiken hooren en stond de Indiaan opeens voor hen.

Men kon duidelijk genoeg zien dat hij uit de rivier kwam. want zgne kleederen waren druipnat.

„Wel?" vroeg Yalentin.

„Vertrokken."

„Allen ?"

„Allen."

„Sedert lang?"

„Sedert twee dagen minstens, de vuren zijn koud."

„Dat heb ik wel gedacht," riep de jager, als sprak hij in zich zeiven.

Sluiten