Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O," riep de jonkman wanhopig, „zijt gij dan door niets te weerhouden ?"

Ellen barstte in tranen uit, zij hijgde en snikte hoorbaar.

„Ondankbare!" prevelde zij op een toon van bitter verwijt, „ondankbare! die niet begrijpt dat ik het om hem doe."

Don Pablo verkropte zijne smart en toen hem dit gelukt was, zeide hij met eene haperende stem :

„Vertrek dan! en moge God u beschermen!"

„Vaarwel!"

„O! neen, geen vaarwel! maar tot weerziens!'' riep hij.

Het meisje schudde treurig het hoofd, en besteeg het paard dat de Canadees voor haar gereed hield.

„Harry," zei don Pablo, „waak over haar."

„Als over mijne zuster," antwoordde de Canadees met eene diepe stem.

Ellen wuifde don Pablo een laatst vaarwel toe en vierde den teugel.

De jonkman zonk wanhopig op den grond neder.

„O! al mijn geluk is heen!" mompelde hij met een gebroken stem.

Mookapec had geen de minste beweging gemaakt. Hij moet wel zeer vast geslapen hebben.

Twee uren later keerden Valentin en zijne metgezellen van hun uitstapje terug.

Don Miguel bemerkte terstond de afwezigheid van Ellen.

„Waar is de Squattersdochter?" vroeg hij met drift.

„Vertrokken ...," mompelde don Pablo.

„En hebt gij haar laten ontvluchten?" riep de haciendero.

„Zij was geene gevangene, ik had het recht niet om mij tegen haar vertrek te verzetten."

„En de Canadeesche jager?"

„Is ook vertrokken."

„O!" riep don Miguel, „dan moeten wij hen dadelijk nazetten, zonder een oogenblik te verliezen."

Bij dezen uitroep werd dona Pablo bleek van ontroering en beefde hij van vreugde.

Valentin wierp hem een bespiedenden blik toe, en don Miguel de hand op den schouder leggende, zeide hij met een veelbeteekenenden glimlach:

„Laten wij niet zoo dwaas zijn, vriend; laten wij integendeel de dochter van den Roode-Ceder gerust haar eigen weg kiezen."

„Maar ...riep don Miguel.

Valentin boog zich, nam hem ter zijde en fluisterde hem een paar woorden in.

De haciendero sidderde.

„Gij hebt gelijk," zeide hij.

„Thans," hervatte de jager, „moeten wij gaan slapen, want ik verzeker u dat wij morgen een zwaren dag zullen hebben."

Ieder begreep de juistheid van deze aanbeveling, en geen tien minu-

Sluiten