Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten daarna of de jagers lagen rondom het vuur in een gerusten slaap.

Curumilla alleen stond met de handen op zijn geweer tegen een pijnboom geleund, in welks afhangende takken hij bijna geheel verborgen was, en waakte voor de algemeene veiligheid.

XXXII.

FRAY AMBROSIO.

Wij keeren thans naar de gambusinos terug.

Suiteren Nathan hadden geen woord tegen hun broeder gesproken, en hij van zijn kant had geen blijk gegeven dat hij hen herkende.

Toen allen zich te slapen hadden gelegd, stond Shaw op en sloop ongemerkt naar dona Clara, die met het hoofd in de beide handen en met de elleboogen op de knieën, in stilte zat te weenen. Hare tranen braken Shaw het hart. Hij zou zijn leven hebben willen geven om ze te drogen.

Intusschen werd de nacht steeds donkerder, daar de maan achter dikke wolken schuil ging, die slechts nu en dan haar blecke licht doorlieten, dat overigens weinig uitwerking deed onder het schaduwrijke lommerdak waar de gambusinos zich eene schuilplaats hadden gekozen.

Door de volslagen onbeweeglijkheid zijner slapende metgezellen en de sombere stilte van het boschkamp gerustgesteld, verstoutte de jonge Squatter zich om dona Clara even aan den arm te stooten.

„Wat wilt gij van mij?" vroeg zij met eene treurige stem.

.,Spreek zacht," antwoordde hij, „in hemels naam! spreek zacht, Senora, een van deze lieden die daar te slapen liggen mocht ons anders hooren; die verwenschte kerels zijn zoo scherp van gehoor, dat het minste geruisch van den wind door het blad genoeg is om hen wakker te maken en tot verdubbelde woede aan te sporen."

„Wat geef ik er om of zij ontwaken?" antwoordde zij op een toon van verwijt; „nu gij, aan wien ik mij had toevertrouwd, oorzaak waart dat ik weder in hunne handen viel?"

„O!" riep hij, wanhopig de handen wringende, „denk toch niet dat ik tot zulk een schandelijk verraad in staat zou zijn, Senora."

„Gij ziet intusschen hoe ver wij gekomen zijn."

„Helaas! Senora, ik heb er geen schuld aan; het ongelukkige toeval alleen heeft alles gedaan."

Een glimlach van ongeloof bewoog de bleeke lippen van dona Clara.

„Heb ten minste moeds genoeg om uw boosaardig bedrijf te bekennen, mijnheer, en wees een oprecht bandiet, evenals de mannen die daar slapen. 01" vervolgde zij op bitteren toon, „ik wil u niets verwijten, integendeel zou ik u veeleer moeten bewonderen; want, ofschoon gij nog zeer jong zijt, mijnheer, hebt gij bij deze gelegenheid eene bekwaamheid en slim overleg aan den dag gelegd, die

Sluiten