Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Shaw greep haar woest bij den arm en haar met een doorborenden blik aanziende, riep hij met eene geschokte stem :

„Nog een woord, nog eene beleediging, Senora, en ik doorsteek mij aan uwe voeten; als gij mijn lijk voor u op den grond hebt zien tuimelen, zult gij misschien aan mijne onschuld gelooven."

Dona Clara scheen verwonderd, maar keek hem strak in de oogen.

„Wat gaat het mij aan?" zeide zij koel.

„O!" riep de jonkman wanhopig uit, „wees tevreden, Senora."

En met eene snelle beweging greep hij zijn dolk. . . .

Plotseling hield een krachtige hand zijn arm terug.

Dona Clara had zich niet verroerd.

Shaw keerde zich om.

Fray Ambrosio stond achter hem met een lachend gezicht maar zonder zijn arm los te laten.

„Laat mij los," zei de jonkman met eene doffe stem, „waarom weerhoudt gij mij?"

„Niet alzoo, mijn zoon," antwoordde de monnik zachtzinnig, „niet voor dat gij mij eerst beloofd hebt dat gij uw moorddadig voornemen zult opgeven."

„Maar," riep Shaw wanhopig, „ziet gij dan niet dat zij mij voor een schurk houdt?"

„Dat kan niet anders wezen; maar laat aan mij de zorg over om haar van het tegendeel te overtuigen."

„O! als gij dat kondt doen," mompelde de jonkman op een toon van twijfel.

„Ik doe het stellig," hervatte Fray Ambrosio altijd glimlachend, „maar gij moet eerst rede verstaan."

Shaw aarzelde een oogenblik en wierp het wapen weg, terwijl hij met een doffe stem mompelde:

„Goed geredeneerd," zei de monnik, „kom, ga zitten en laten wij samen praten. Verlaat u gerust op mij; na eenige oogenblikken zal de Senorita in het minst niet meer twijfelen aan uwe onschuld."

Shaw schudde ongeloovig het hoofd.

,,Gij zult het zien, wacht maar even," zei de monnik op zijn gewonen snaakscbén toon.

Gedurende dit gansche tooneel was dona Clara onbeweeglijk blijven staan, en scheen zij door hare droefheid geen het minste belang te stellen in hetgeen er tusschen de twee mannen omging.

De monnik wendde zich thans tot baar.

„Deze jonkman heeft u de volle waarheid gezegd, Senora," zeide hij; „het is mij een genoegen dat ik hem met deze verklaring in 't gelijk kan stellen. Welke reden hij moge gehad hebben om dus te handelen, weet ik niet; maar om u te redden heeft hij schier het onmogelijke gedaan: met u in zijne armen heeft hij tegen een drom van bloeddorstige Roodhuiden gevochten, en hij zou het eindelijk hebben moeten opgeven zoo God ons niet wonderdadig tot zijne hulp had gezonden; hij was reeds op het punt van

Sluiten