Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Senora," antwoordde de monnik nog altijd even bedaard, „ de oogenblikken zijn kostbaar, iedere seconde die gij wacht, kan u de kans op uw behoud doen verbeuren. Ik zal met u niet in verdere redewisseling treden, en bepaal mij alleen bij deze vraag : „Wat zou ik er aan hebben of ik al veinsde u le willen laten ontsnappen?"

„Weet ik het, mijnheer? Kan ik raden wat u beweegt dus te handelen?"

,,'t Is goed, Senora, doe zooals gij het best oordeelt, maar ik neem God tot getuige, dat ik alles voor u gedaan heb wat ik kan om u te redden, maar dat gij het niet hebt gewild."

De monnik sprak deze woorden op zulk een overtuigenden toon, dat dona Clara er tegen wil en dank door aan het wankelen werd gebracht; de laatste vraag van Fray Ambrosio was al te ondubbelzinnig. Waartoe zou hij haar geveinsdelijk laten ontsnappen, terwijl hij haar reeds in zijne macht had?

Zij bedacht zich een oogenblik.

„Hoor," zeide zij, „mijn leven offer ik op. Ik weet niet of gij oprecht zijt, ik zou het gaarne gelooven, maar daar mij toch niets ergers kan overkomen dan hetgeen mij reeds bedreigt, waag ik mij aan u; geleid mij dus naar de paarden die gij voor mij hebt gereed gemaakt, ik zal weldra weten of uwe bedoelingen goed zijn dan of ik mij ten uwen aanzien bedrogen heb."

Een vluchtige glimlach blonk op het gelaat van den monnik, hij zuchtte van zelfvoldoening.

„Kom!" zeide hij, „volg mij dan, maar vooral wees onder het gaan voorzichtig dat gij onze kameraden niet wakker maakt, want die zijn u waarschijnlijk niet zoo genegen als ik."

Dona Clara en Sbaw stonden op en volgden den monnik zonder het minste gedruisch te maken.

Des Spuatterszoon ging voor het meisje uit, om alles uit den weg te ruimen wat haar den doortocht kon belemmeren.

Het was op dit oogenblik stikdonker, zoodat het niet gemakkelijk ging om in de met lianen en andere woekerplanten begroeide boschjes den weg te vinden; dona Clara struikelde bijna bij iederen voetstap.

Eindelijk, na verloop van een half uur, kwamen zij aan den zoom van het bosch.

Hier stonden twee gezadelde paarden aan een boom gekoppeld, rustig aan het loof der jonge takken te knabbelen.

„Wel!" zei de monnik, op zekeren toon van triomf, „gelooft gij mij nu, Senora?"

„Ik ben nog niet gered," antwoordde zij zwaarmoedig.

Zij was gereed om te paard te stijgen.

Plotseling werden de takken en struiken met geweld uit elkander gerukt en kwamen er zes of acht mannen, die er achter verscholen hadden gezeten, te voorschijn en omsingelden onze drie personages, eer zij nog een hand konden verroeren om tegenweer te bieden.

Sluiten