Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Shaw greep schielijk zijne pistolen en maakte zich gereed om zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen.

„Bedaar Shaw," zei dona Clara met eene zachte stem, „nu zie ik dat gij trouw en oprecht zijt. Ik vraag u verschooning voor mijn wantrouwen. Laat u niet nutteloos dooden, gij ziet wel, het zou dwaasheid zijn om weerstand te bieden."

De jonkman boog gedwee het hoofd en stak zijne pistolen weder in zijn gordel.

„Wel! Wat heb ik u gezegd," riep eene spotachtige stem, die de vluchtelingen eene huivering van schrik op het lijf joeg, „ik wist wel dat die paarden voor den een of ander bestemd waren! Laten wij zien wie hier zijn. Hola! Ourson! steek een fakkel aan, dan zullen wij het spoedig weten."

,,'t Is niet noodig, Roode-Ceder, wij zijn vrienden," riep eene stem.

„Vrienden!" herhaalde de Roode-Ceder barsch, want hij was het zelf, „dat mag waar zijn, maar ik zou mij toch gaarne met eigen oogen overtuigen. Steek uw fakkel maar aan, jongen!"

Er volgde een poosje stilte tot Ourson een fakkel van pijnboomhout ontstoken had.

„Ei! ei! men zou zeggen," meesmuilde de Squatter, „inderdaad wij zijn hier onder goede kennissen. Wat duivel doet gij hier zoo laat in den nacht, senor padre?"

„Wij zouden naar het kamp terugkeeren, daar wij een weinig afgedwaald waren om eene wandeling te maken," antwoordde de monnik onverstoord.

De Roode-Ceder schoot hem een argwanenden blik toe.

„Eene wandeling!" bromde hij binnensmonds, „een verwonderlijk uur om te gaan wandelen."

„Zoo! zijt gij daar, Shaw!" vervolgde hij, „wees welkom, jongetje, al had ik weipig gedacht u te zullen ontmoeten, vooral niet in gezelschap van dit bekoorlijke duifje," riep hij met een sardonischen lach.

„Ja, vader, hier ben ik," antwoordde de jonkman met eene bedrukte stem.

,,'t Is goed, 't is goed; later zult gij mij wel zeggen waar gij zoo lang geweest zijt, maar voor bet oogenblik hoeft het nog niet. Hebt gij mij niet gezegd dat uw kamp hier dicht bij is, senor padre, ofschoon de duivel mij mag halen, als ik weet hoe hier de vork in den steel steekt, daar ik juist op weg was om u op het eiland te zoeken waar ik u gelaten had."

„ Wij waren genoodzaakt om het te verlaten," zei de monnik.

,,'t Is goed, wij hebben geen tijd voor onnoodige praatjes. Breng ons maar eerst naar het kamp, vriend, later zal dat alles zich wel ophelderen, wees daar maar niet bezorgd over."

Onder geleide van den monnik, trad de Roode-Ceder het bosch in, gevolgd door de vrijbuiters, die Shaw en dona Clara in hun midden hadden genomen. Deze onverwachte ontmoeting vernietigde opnieuw

Sluiten