Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hoop op eene aanstaande bevrijding, die zij reeds onder hun bereik meenden te hebben.

Wat Fray Ambrosio betreft, hij stapte oogenschijnlijk zoo bedaard vooruit, alsof er niets buitengewoons gebeurd was.

XXXIII.

HET SPOOR.

Nauwelijks begon de dageraad den oostelijken horizon met zijne bleeke opaaltinten te kleuren.

In de sombere diepten des hemels schitterden nog altijd hier en daar enkele sterren.

De wilde dieren verlieten hunne onbekende drinkplaatsen en keerden met langzamen tred naar hunne holen terug, nu en dan de plechtige stilte der woestijn verstorend door hun dreigend gebrul of hun dof geloei en gekef.

Valentin opende de oogen en keek onrustig om zich heen, en na in weinige oogenblikken de laatste sporen zijner slaapzucht te hebben verdreven, stond hij langzamerhand op en ging zijne kameraden wekken, die, in hunne mantels gewikkeld, hier en daar nog lagen te slapen.

Weldra was de kleine troep verzameld rondom het vuur waar de j ager eenige armvollen droog hout op had geworpen, en welks heldere vlammen op dit oogenblik dienen moesten om hun ontbijtte bereiden.

De Mexicanen hielden de oogen aandachtig op den jager gevestigd en wachtten in stilte tot hij zich nader verklaren zou, wel overtuigd dat hij hun belangrijke mededeelingen te doen had.

Maar hunne verwachting werd althans vooreerst niet bevredigd; Valentin bleef zoo gesloten als een bus en bewaarde het stilzwijgen.

Toen het ontbijt klaar was, noodigde de Franschman zijne gasten met een wenk om te eten, en nu hoorde men gedurende twintig minuten niets dan het vroolijk maar tergend geluid der handige messen en vorken, terwijl de hongerige jagers bezig waren hun machtigen eetlust te stillen.

Toen de maaltijd was afgeloopen, stak Valentin bedaard zijn Indiaansche pijp aan en gaf hij zijn kameraden een teeken dat hij hun iets te vertellen had.

Allen wendden zich naar hem toe.

„Mijne vrienden," begon hij op vertrouwelijken toon, „wat ik wel gevreesd had is gebeurd, de Roode-Ceder heeft zijn kamp op het eiland verlaten; als ik mij niet bedrieg, is hij ons eenige dagen vooruit; ik heb gister avond te vergeefs getracht zijn spoor te ontdekken en den weg te vinden dien hij gekozen heeft, dit was mij geheel onmogelijk. De Roode-Ceder is een schurk zoo woest en geducht als men gelukkig slechts zelden aantreft; wij hebben zijn ondergang

Sluiten