Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezworen, en dien eed zullen wij, zoo ik hoop, houden; maar onpartijdig gesproken, moet ik tot zijne eer zeggen dat hij een der bedrevenste jagers van het Verre Westen is; niemand weet beter dan hij, zijn eigen spoor te verbergen, of dat van anderen te ontdekken; wij hebben dus in hem onzen man gevonden en het zal een strijd zijn van langen duur, waar wij al ons geduld bij noodig zullen hebben, want hij is uitgeleerd in al de listen en streken der Roodhuiden, die ik bekennen moet, dat alles overtreffen wat list en behendigheid heeten mag."

„Helaas!" prevelde don Miguel.

„Ik heb u gezworen, vriend, dat ik u uwe dochter terug zou geven," vervolgde Valentin, „en met Gods hulp, zal ik mijn eed gestand doen; maar het is een reuzenwerk dat ik op mij neem; ik vorder dus van u allen onbepaalde gehoorzaamheid; uwe onkunde aangaande de gebruiken der woestijn zou ons onder zekere omstandigheden, onberekenbare schade berokkenen en ons in weinige minuten de vrucht van onze langdurige nasporingen doen verliezen; ik verwacht dus van uwe vriendschap, dat gij u geheel door mijne ondervinding zult laten besturen."

„Mijn vriend," antwoordde don Miguel op een toon van de hoogste waardigheid en ernst, „wat gij ons ook beveelt, wij zullen het doen, want gij alleen kunt de moeilijke taak die wij ondernomen hebben tot een goed einde brengen."

„Goed ! Ik zeg u dank, mijn vriend, voor de gehoorzaamheid die gij mij belooft; zonder dat zouden wij onmogelijk kunnen slagen. Vergun mij thans dat ik met de Indiaansche hoofden in overleg treed."

Valentin stond op, gaf Curumilla en de Arends-Veer een teeken, en alle drie verwijderden zich om zich op eenigen afstand in een kring neder te zetten.

Valentin gaf zijne calumet aan den Araucaan, deze rookte er eenige seconden uit, en gaf haar toen aan de Arends-Veer, die, na er op zijne beurt uit gerookt te hebben, haar aan den jager teruggaf.

„Mijne broeders weten waarom ik hen in den raad heb samengeroepen," zeide Valentin.

De beide opperhoofden bogen ten bewijze van toestemming.

„Zeer goed!" vervolgde hij ; „welken raad geven thans mijne broeders ? Dat de Sachem der Coras het eerst spreke, hij is een wijs opperhoofd, zijn raad kan niet anders dan goed zijn."

Mookapec boog.

„Waarom vraagt Koutonepi het gevoelen zijner roode broeders?" zoo begon hij. „Koutonepi is een groot krijgsman, hij heeft het oog van een quantillia (arend), den reuk van een ytzcuintli (hond), den moed van een miztli (leeuw) en de voorzichtigheid van een coatil (slang); niemand weet beter dan hij een verloren voetspoor op het zand te ontcijferen; al wat Koutonepi doet zal goed zijn, en zijne broeders zullen hem volgen."

Sluiten