Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dank u hoofdman," hernam Valentin ; „maar in welke richting

denkt gij dat wij gaan moeten?" ..

„De Roode-Ceder is de vriend van Stanapat; na zijne nederlaag

zal de scalpenjager naar zijn vriend gevloden zijn.

Dat gevoelen is ook het mijne," beaamde de jager; „en denkt gij er van, hoofdman?" vroeg hij, zich tot Curumüla wendende, De Araucaan schudde het hoofd.

„Neen," zeide hij, „de Roode-Ceder heeft het goud lie .

„Dat is zoo," riep Valentin mede het hoofd schuddend, „de Apachen zijn bovendien veel te dicht in onze nabijheid, gij hebt gelijk, hoofdman; wij moeten ons derhalve noordwaarts richten. Curumilla knikte toestemmend.

„Zonder paarden," zeide hij, „die wisschen de sporen uit „Dat is waar, wij gaan dus te voet. Hebt gij de voetmaat

den Roode-Ceder?"

Curumilla tastte in zijn tooverzak en haalde er een oude gescheurde mocksens (sandaal) uit.

„Ha!" riep Valentin vroolijk, „dat is nog beter; vertrekken wij

onverwijld."

^hn^vrienden," sprak de jager toen hij bij de Mexicanen terugkwam, „dit hebben wij besloten: gij drieen alleen blijftte paard, elk van u neemt een paard van ons bij den teugel mede, zoodat wii het, des noods, op het eerste teeken kunnen bestijgen; de beide opperhoofden en ik zullen te voet gaan om ons geen spoor te laten ontsnappen, terwijl gij op twee honderd ons zult blijven; ik heb gezien dat er op dit oogenbhk veel trornpetzwanen *) in de rivier zijn, het geroep van dezen vogel zal ons dus tot vereenigingssein dienen. Dat alles is tusschen ons af0e

sproken, niet waar?"

„Ja," antwoordden de Mexicanen eenparig.

„Goed! nu op marsch, maar draag toch vooral zorg dat gij ons

nooit uit het oog verliest." , ,,

Stel u gerust, vriend," zei de generaal, „wij hebben er te veel belano bij om u niet te verlaten. Canario! wat zou er van ons worden, als wij alleen in deze verwenschte wildernis moesten

t6r KomlS,gLdenmoed?"riepValentinvroolijk. Hetzalwelgaan!"

„God geve dat gij u niet bedriegt, beste vriend! antwoordde don Micmel zwaarmoedig. „Mijn arme dochter! .

,/Wij zullen haar bevrijden; ik heb wel eensmoeielykersporen

^Na^déze vertroostende woorden gingen de beide Indianen en de

jaSIn' plaatTvan de Indiaansche linie te nemen, die gewoonlijk in

i) Cignus buccinator.

Sluiten