Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de prairie gebruikt wordt, namelijk de een achter den ander te loopen, verspreidden zij zich integendeel waaiersgewijze om des te breeder veld te beslaan en niet het minste spoor te laten ontsnappen.

Zoodra de veldontdekkers op een behoorlijken afstand vooruit waren, stegen de Mexicanen te paard en volgden hen stapvoets in de verte, wel zorg dragende hen zoo min mogelijk uit het oog te verliezen.

Toen Valentin don Miguel verzekerde dat hij wel eens moeielijker sporen gevolgd was, had de jager hetzij op zijne manier gebluft, of, hetgeen wegens zijn rondborstig karakter waarschijnlijker is, de zaak schooner voorgesteld dan zij was, om zijn vriend meer hoop in te boezemen.

Om een spoor te kunnen volgen, moet er werkelijk een zijn.

De Roode-Ceder was een te oud en te beproefd woudlooper om een enkele voorzorg te verzuimen ; hij wist wel dat in de woestijn, hoe groot zij ook wezen mocht, een geoefend spoorzoeker, die met haar bekend is en zijn werk verstaat, altijd zal vinden wat hij zoekt, hoe behendig het ook verborgen zij.

Bovendien wist hij dat hij door den meest ervaren jager uit het Verre Westen vervolgd werd, den man dien alle pelsjagers, strikkenzetters en woudloopers,'zoo blanken als mestiezen en zelfs Roodhuiden, eenparig den naam hadden gegeven van de Gids der Prairiën.

En inderdaad, de Squatter had getoond dat hij dit wist. Er was geen spoor van hem te ontdekken.

Valentin en zijne gezellen mochten de woestijn raadplegen zooveel zij wilden, de woestgn bleef voor hen zoo stom en ondoorgrondelijk als een verzegeld boek.

Vijf uren langtrokken zij nu reeds voort, zonder dat hetminste teeken hunne vermoedens bevestigde, of bewees dat zij op den rechten weg waren.

Intusschen gaven zij den moed niet verloren; met het taai geduld dat den echten prairiebewoner eigen is en van welks vasthoudende volharding men zich moeielijk een denkbeeld kan maken, trokken de drie mannen steeds voort met langzamen tred, voet voor voet, met het hoofd gebukt en de oogen op den grond gevestigd, zonder zich te laten afschrikken door de vele moeielijkheden die zij overwinnen moesten, ja veeleer aangevuurd door deze moeielijkheden, die hun bewezen dat zij met een listigen tegenstander te doen hadden, wien te verschalken hun ijver dubbel waard was.

Valentin ging in het midden; aan zijne rechter zijde had hij Curumilla, en aan zijne linker de Arends-Veer.

Zij doorkruisten op dit oogenblik eene effene vlakte, waar het oog zich onbelemmerd tot op vrij verren afstand kon uitstrekken, aan den eenen kant vertoonden zich de voorposten van een groot woud, en aan den anderen stroomde de Rio-Gila over eene zandige bedding.

Aan den rand eener beek komende welker oevers met dichte struiken waren bezet, bemerkte Valentin op eens twee of drie kleine takjes, die een paar duimen boven den grond waren afgebroken.

Sluiten