Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jager bleef staan, om ze van nader bij te bezien; hij ging op den grond liggen en bekeek nauwkeurig de breuk van het hout, terwijl hij zijn hoofd nog dieper in de struiken stak om zijne ontdekking tot zekerheid te brengen.

Plotseliüg richtte hij zich met drift op en slaakte een vreugdekreet.

Op dezen kreet kwamen zgne twee kameraden aanloopen.

„Ha! pardi!" riep Valentin verheugd, „nu heb ik hem! kijk, kijk!"

En hij liet den Indianen eenige paardenharen zien die hij in zijne hand had.

Curumilla beschouwde aandachtig de haren die Valentin hem gegeven had, terwijl de Arends-Veer zonder een woord te zeggen zich bezig hield, om met behulp van steenen en aarde, een dam te leggen dwars door de beek, die nauwelijks een paar ellen breed was.

„Wel! wat zegt gij er van, hoofdman?'' vroeg Valentin, „heb ik mij vergist of niet?"

„Ooah!" riep de Indiaan, „Koutonepi heeft goed gezien, deze haren zijn van het paard van den Roode-Ceder."

„Niet waar, ik had wel goed gezien dat hij een ijzergrauw paard bereed?"

„Ja, maar het moet mank gaan."

„Dat weet ik, met het rechtervoorbeen."

Op dit oogenblik hoorden zij de Arends-Veer roepen.

De Indiaan had het water der beek afgeleid, en op de drooggeloopen bedding onder den dam zag men duidelijk afdruksels van paardenhoeven.

„Ziet gij dat?" zei Valentin.

„Ja," antwoordde Curumilla, „maar hij is alleen."

„Duivels!" riep de jager, „dan zijn wij er nog niet."

De twee krijgslieden zagen hem vreemd aan.

„Gij moet weten," vervolgde hij, „dit is een valsch spoor. Toen hij aan deze beek kwam, waar hij onmogelijk door kon zonder sporen achter te laten, is de Roode-Ceder, wel kunnende denken dat wij onder water zouden zoeken, zoo stout geweest om de beek alleen over te gaan, terwijl lieden die minder goed met de listen der wildernis bekend zijn dan wij, licht vermoeden zouden dat er een gansche troep overgetrokken was. Zie maar aan de overzijde, daar staan de stappen van zijn paard. Maar de Roode-Ceder heeft al te slim willen zijn en daardoor zich zeiven gefopt; met ons één spoor te vertoonen, heeft hij zijne zaak bedorven. In plaats van de beek over te steken, is de gansche troep, daar hij zich later weder bij zal gevoegd hebben, door de bedding der beek gegaan, en heelt haar afgeloopen tot aan de Rio-Gila, waar hij aan den anderen oever der rivier aan land is gestapt."

Bij deze duidelijke verklaring van de toedracht der zaak gaven de Indianen hunne bewondering luide te kennen.

Valentin stak nu den eersten dam weder door, en maakte door

Sluiten