Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne kameraden geholpen een anderen, omtrent honderd ellen benedenwaarts, op korten afstand van het punt waar de beek in de Rio-Gila uitliep.

Nauwelijks lag de bedding der beek weder droog, of de Indianen klapten in de handen en schreeuwden van blijdschap.

Het was juist zooals de jager gezegd had; hier hadden zij het ware spoor gevonden, op den bodem der beek vertoonden zich duidelijk de voetstappen van een talrijken troep paarden.

„O!" riep Yalentin, „nu geloof ik zeker dat wij op den rechten weg zijn."

Hij bootste het geschreeuw van den trompetzwaan na, en terstond kwamen de Mexicanen, die in de verte al de bewegingen der jagers met de meeste belangstelling hadden gadegeslagen en brandden van nieuwsgierigheid om er den uitslag van te vernemen, spoorslags op hen af.

„Wel?" riep don Miguel.

„Goed nieuws," antwoordde Yalentin.

„Hebt gij het spoor beet?" vroeg de generaal met drift.

„Ik geloof van ja," antwoordde de jager bescheiden.

„O!" riep don Pablo verheugd, „dan zullen wij den booswicht weldra achterhalen."

„Ik hoop het. Wij moeten thans de rivier over; maar in ieder geval moeten wij weder vooruit."

„Gaat uw gang," zeide don Pablo.

De drie jagers- stegen te paard en daalden in de rivier af, in de verte gevolgd door hunne kameraden.

Aan de andere zijde der Gila komende, stapten zij niet dadelijk aan land, maar volgden nog een geruimen tijd den stroom, met aandacht den oever opnemende dien zij langs zwommen.

„Ah!" riep Valentin, op eens zijn paard inhoudende, „ikgeloof dat zij hier aan land zijn gegaan."

,,'t Is zoo," zei Curumilla met een toestemmenden hoofdknik.

„Ja," bevestigde Mookapec, „dat kan men wel zien."

Werkelijk was deze plaats uitnemend geschikt om aan land te gaan, zonder sporen achter te laten.

De oever bestond tot op bijna honderd ellen van de rivier uit groote platte steenblokken, die veel hadden van grafzerken, waar men gerust met paarden kon aan land gaan, zonder te vreezen dat men zou zien waar ze geloopen hadden.

Deze steenen strekten zich tot op verren afstand over de vlakte uit en vormden als het ware een natuurlijken straatweg van bijna een halve mijl breedte.

Valentin zag hierbij nog iets, dat zonder zijn scherpen blik zeker onopgemerkt zou zijn gebleven, namelijk dat een der paarden, bij het beklimmen der rotsblokken, waarschijnlijk zijn loop niet goed berekend had en moest uitgegleden zijn, want de kras door zijn hoef op een steen nagelaten, was nog duidelijk zichtbaar, en wees den jager juist het punt aan waar de troep aan land was gestapt.

Sluiten