Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zijn dat menschen!" riep don Miguel.

„Canarios! vriend," zei de generaal, „daar zijtgij goed afgekomen."

De jagers dolven een kuil waar zij het lijk van den roo ver inwierpen.

De nacht ging zonder verdere stoornis voorbij.

Met het krieken van den morgen begon de jacht opnieuw.

Tegen den middag bevonden de jagers zich aan den oever der rivier. Twee Indiaansche prauwen zakten langzaam den stroom af.

,,Terug! terug!" riep Valentin opeens tegen zijne vrienden.

Allen doken in het gras. Het volgende oogenblik deed een hageljacht van pijlen en kogels de struiken trillen en kletterde tegen de boomstammen : maar niemand werd getroffen.

Valentin verwaardigde zich niet het vuur te beantwoorden.

„Het zijn Apachen," zeide hij, „laten wij ons kruit liever sparen, bovendien zijn zij reeds buiten schot."

Zij trokken weder op weg.

Langzamerhand werd het bosch lichter, de boomen stonden verder uiteen en eindelijk bereikten de jagers eene uitgestrekte prairie.

„Halt!" kommandeerde Yalentin, „wij beginnen thans te naderen. Ik geloof, nu wij de ruimte voor ons hebben, dat het niet kwaad zou zijn als wij den gezichteinder even opnamen."

Hij ging op zijn paard staan, en begon naar alle zijden rond te zien.

Eindelijk steeg hij weder af.

„Niets," zeide hij.

Op dit oogenblik zag hij iets blinken in het gras aan den rand der rivier.

„Wat is dat?" riep hij en bukte ter aarde.

Maar in plaats van terstond weer op te staan, bleef hij op den grond liggen.

Het volgende oogenblik wendde hij zich tot Curumilla.

„De mocksens?" vroeg hij.

De Indiaan gaf ze hem.

„Kijk eens!" riep de jager.

De plek die hij hem aanwees was vochtig, en op een hoop bladeren zag men duidelijk het spoor van een menschenvoet, welks voorste gedeelte in het water onzichtbaar werd.

„Zij zijn ons niet meer dan twee uren voor geweest," zei Valentin; „een van hen heeft hier een paarden-schelletje verloren."

„Zij zijn zeker de rivier overgegaan," beweerde de Arends-Veer.

„Dat kan men duidelijk zien," ondersteunde de generaal.

Valentin meesmuilde en keek Curumilla aan; de Indiaan schudde het hoofd.

„Neen," zei de jager, „het is een streek; maar hij zal mij niet beet hebben."

Thans zünen vrienden een wenk gevende, dat zij blijven zouden waar zij zich bevonden, keerde Valentin de rivier den rug toe en liep hij snel naar een boschrijken heuvel, die zich op korten afstand verhief.

„Komt hier!" riep hij, zoodra hij boven was.

Sluiten