Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doorboren om de geheimen te bespieden, die de donkere nacht voor hem verborgen hield.

„Compadre," zei de monnik, „denkt gij inderdaad dat het ons gelukt is ons spoor voor de blanke jagers te verbergen?"

„Het zijn ellendige honden, die ik belach," antwoordde de Roode-Ceder laatdunkend; „mijne vrouw zou genoeg zijn om hen met de zweep weg te jagen. Ik ken al de listen en streken der woestijn en heb mijn best gedaan."

„Dus zijn wij dan eindelijk van onze vijanden ontslagen!" riep de monnik met een zucht van bemoediging.

„Ja, compadre," grinnikte de Squatter meesmuilend, „thans kunt gij gerust gaan slapen."

„Ha!" zei de monnik, „zooveel te beter."

Op eens knalde er een geweerschot; een kogel floot den pater langs het oor en kaatste zich plat tegen een der stijlen van de tent.

„Vervloekt!" riep de Squatter opstaande, „zijn de razende wolven nog op het pad. Te wapen! mijne kinderen, daar komen de Roodhuiden." .

Binnen weinige seconden waren al de gambusinos overeind en stonden zij gewapend achter de verschansing van pakken en balen die het kamp omringden.

Op hetzelfde oogenblik hoorde men een vreeselijken oorlogskreet,

onmiddellijk gevolgd door een hevige losbranding van klein geweer, vermengd met een zwerm van pijlen, die de prairie deed weergalmen.

De Roode-Ceder telde nog een twintigtal uitgelezen mannen in zijne bende, dank zij de vrijbuiters die hij had medegebracht.

De gambusinos lieten zich dus niet vervaard maken, maar beantwoordden met een hevig geweervuur op korten afstand den aanval van een talrijken troep ruiters, die het kamp aan alle

zijden bestormden.

De Indianen reden in vollen galop, onder schrikkelijk gehuil en met brandende fakkels, die zij woest in het rond zwaaiden en allen tegelijk in het kamp slingerden.

De Indianen zullen hunne vijanden zelden aantasten dan bij verrassing; daar zij geen ander oogmerk hebben dan plundering, deinzen zij gewoonlijk terug zoodra zij zien dat zij een heftigen tegenstand te wachten hebben, en geven den strijd op, die voor hen nutteloos is geworden.

Ditmaal echter schenen de Roodhuiden hunne gewone taktiek te hebben verlaten, zoo hardnekkig bestormden zij de verschansing; hoe dikwijls ook afgeslagen, keerden zg telkens met nieuwe woede terug, stelden zich onversaagd bloot en poogden door overmacht hunne vijanden te verpletteren.

De Roode-Ceder, beducht dat de strijd, waarin hij reeds eemgen zijner dapperste kameraden had zien vallen, te lang duren zou, besloot eene laatste poging te wagen om de Indianen door waaghalzerij en vermetelheid te verschrikken.

Sluiten