Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXVI.

AARDBEVING.

Een ontzettende verandering had er in de natuur plaats gegrepen.

Het hemelgewelf had het aanzien van een onmetelijk geel koperen dak bekomen.

De bleeke schijf der maan trok hare stralen in en stond dof aan den hemel.

De dampkring daar beneden was zoo doorschijnend dat de verst verwijderde voorwerpen zichtbaar werden.

Eene verstikkende hitte hing loodzwaar op de aarde; in de lucht was er geen zweem van tocht die het minste blaadje kon doen trillen. De Rio-Gila had plotseling opgehouden te stroomen.

Het doffe gerommel dat reeds vroeger gehoord was, herhaalde zich met tienvoudige kracht. ^

De rivier, als door een machtige maar onzichtbare hand opgeheven, steeg tot ontzettende hoogte en stortte zich klotsend over de prairie, die zij met ongelooflijke snelheid overstroomde; de bergen waggelden op hunne grondslagen, en groote stukken rots vielen met somber gedruisch op de vlakte; de aarde hier en daar openscheurend, vulde de dalen op, deed de heuvels wegzinken, en braakte uit haren schoot stroomen van zwavelachtig water, doormengd met kokende modder en gloeiende steenen, die zich ten hemel verhieven en met aanhoudend gedruisch op de omliggende velden neêrregenden.

„Terremoto ! (aardbeving)" riepen de jagers en de gambusinos, terwijl zij allen zich kruisten en de gebeden begonnen op te zeggen die hun in de gedachten kwamen.

Werkelijk was het eene aardbeving, de meest geduchte plaag dezer gewesten.

De grond scheen, om zoo te zeggen, te koken, en was onophoudelijk in op- en nedergaande beweging, als de golven der zee gedurende een storm. De bedding der rivieren en beken veranderde ieder oogenblik, en kolken van onpeilbare diepte openden zich aan alle kanten onder en rondom de voeten der verschrikte stervelingen.

De wilde dieren, uit. hunne schuilhoeken verjaagd en door de rivier teruggedreven, die met iedere golving hooger steeg, kwamen uitzinnig van schrik zich onder de menschen vermengen.

Talrijke kudden buffels en bisons, liepen over de vlakte onder dof geloei, buitelden over elkander en holden weder terug, om de gapende spleten en afgronden te ontwijken die zich voor hunne voeten openden, en dreigden in hun dolle vaart alles te verpletteren wat hun in den weg lag.

Jaguars, panters, congouars, grauwe beren en wolven, in bonte mengeling met damherten, elanden, antilopen, asshatas en langhoorns, hieven een angstig gehuil of heesch gejammer aan en dachten niet

Sluiten