Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder al deze bedrijven brak de dag aan; de zon steeg prachtig uit de oosterkimmen en verlichtte met hare gloeiende stralen het verheven tafereel der natuur in barensnood, terwijl zij de menschen weder een weinig nieuwen moed inboezemde.

Nadat de Roodhuiden, met de drift en vaardigheid, die hun eigen was, een twintigtal prauwen hadden samengesteld, brachten zij die snel te water, om zich weder aan den stroom toe te vertrouwen.

De jagers trachtten intusschen het vlot van den Roode-Ceder te lasseeren en naar zich toe te halen, terwijl de roovers integendeel al het mogelyke deden om in diep water te blijven en met den stroom voort te stevenen.

Eindelijk gelukte het Curumilla om zijne lasso zoo vast aan een der boomstammen te slaan, dat hij het vlot naar zich toetrok, maar de Roode-Ceder sneed tot tweemaal toe met zijn mes het touw door.

„Wij moeten het met dien bandiet zien uit te maken," riep Valeutin. „Dooden wij hem, het koste wat het wil."

„Een oogenblik geduld! als ik u bidden mag," zeide don Miguel, „ik wil eerst met hem spreken, misschien zal het mij gelukken hem te vermurwen."

„Hum!" mompelde de jager, met de kolf van zijn geweer op den grond stampende, „ik zou eer kans zien om een tijger te verteederen."

Don Miguel deed een paar stappen voorwaarts.

„Roode-Ceder!" riep hij, „ontferm u over mij en geef mij mijne dochter terug!"

De bandiet grinnikte maar antwoordde niet.

„Roode-Ceder," hervatte don Miguel, „ontferm u over mij, „ik smeek er u om; ik zal u zooveel losgeld betalen als gij eischt, maar, in naam van al wat u op de wereld dierbaar is, geef mij mijn kind terug! bedenk, dat gij uw leven aan mij verschuldigd zijt!"

„Ik ben u niets schuldig," antwoordde de Squatter barsch; „het leven dat gjj mij gered hadt, hebt gij mij weder willen ontnemen; wij zijn sedert lang aangezuiverd."

„Mijne dochter! geef mij mijne dochter!"

„Waar is de mijne? waar is mgn Ellen? Geef mij die terug; misschien zal ik dan besluiten om u de uwe te geven."

„Zij is niet bij ons, Roode-Ceder, ik zweer u dat zij vertrokken is om naar u terug te keeren."

„Leugens!" brulde de bandiet, „leugens!"

Op dit oogenblik maakte dona Clara van de gelegenheid gebruik dat de Squatter minder scherp op haar lette en sprong in de rivier.

Maar op het geluid van haar val, keerde de Roode-Ceder zich om en sprong haar met een woedenden uitroep na.

De jagers begonnen thans op den bandiet te vuren, maar als werd hij door een toovermiddel beschermd, raakten zij hem niet en schudde hij telkens het hoofd met een sataDsehen lach, zoo vaak er een kogel naast hem het water trof.

Sluiten