Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik had diep medelijden met de arme ziel. Al bibberde ik ook zelf van koude, toch wierp ik hem mijn reismantel om. Plotseling hoorde ik nu eene stem uit den hemel, die mij voor dit liefdewerk zegende en toeriep:

„Deze goede daad, mijn zoon, zal u vergolden worden."

Ik reed verder, tot nacht en duisternis mij overvielen. Nergens was een dorpje te zien. Zoover mijn oog reikte, was alles met sneeuw bedekt, en ik wist weg noch steg.

Vermoeid van 't rijden, steeg ik eindelijk af en bond mijn paard aan eene soort van spitsen staak vast, die boven de sneeuw stak. Voor alle veiligheid nam ik mijne pistolen onder den arm, ging niet ver vandaar in de sneeuw liggen, en sliep zoo heerlijk, dat mijne oogen eerst opengingen, toen het klaarlichte dag was. Wie kan zich echter mijne verbazing voorstellen, toen ik bespeurde, dat ik midden in een dorp op 't kerkhof lag! Mijn paard was in den aanvang nergens te zien, doch spoedig hoorde ik het hoog boven mij hinneken. Toen ik naar omhoog keek, bespeurde ik dat het met de teugels aan den weerhaan van den kerktoren hing. Nu begreep ik dadelijk, hoe de zaak in elkaar zat. Het dorp was namelijk des nachts geheel onder de sneeuw bedolven geworden; later was plotseling de dooi ingevallen, en was ik, vast slapende, naarmate de sneeuw smolt, van lieverlede naar omlaag gezakt. Wat ik in de duisternis voor de punt van een staak of struik gehouden had, die boven de sneeuw uitstak, was 't kruis of de weerhaan van den kerktoren geweest.

Zonder mij nu lang te bedenken, nam ik een mijner pistolen, schoot den teugel in tweeën, kreeg gelukkig mijn paard terug en zette mijne reis voort. Natuurlijk liet ik mijn paard eens terdege op een bak haver onthalen, dat het arme dier dubbel en dwars verdiend had.

Nu ging alles weer goed. Toen ik verder in Rusland kwam,

Sluiten