Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik in den boom doorbracht, met den beer onder mij. Gelukkig was de beer uitgeput door een lange jacht voor hij mij ontmoette, en daar hij ten volle overtuigd was dat ik niet ontsnappen kon, legde hij zich neer om wat uit te rusten. Dit gaf mij tijd om na te denken en mijne tegenwoordigheid van geest te herkrijgen. Wat kon ik doen? Begeerig keek ik naar mijn mes, dat daar beneden in de sneeuw lag; maar die verlangende blikken maakten de zaak niet beter. Eindelijk kwam er een denkbeeld bij mij op, dat even gelukkig als zonderling was. Gij weet, dat de echte jager van alles bij zich heeft; zoo was ook mijne weitasch een echt tuighuis, een magazijn, dat mij bij alle gebeurtenissen steeds te stade kwam.

Ik zocht er in en vond al spoedig een kloen garen, een ijzeren haakje en een doos met pik. Het pik was hard geworden door de koude, doch ik stak de doos weer in mijn borstzak om het te warmen. Daarop maakte ik den haak, dien ik dik met pik besmeerde, aan het garen vast, en liet het nu snel naar beneden vallen. De haak kwam nu op 't mes neer en hechtte zich daar spoedig heel vast aan, want de koude lucht maakte het weldra zoo hard alsof het cement was. Toen ik het nu met groote behoedzaamheid naar boven trok, had ik gelukkigerwijze mijn mes terug. Doch nauwelijks had ik er den steen mee vastgeschroefd, of Bruintje begon in den boom te klimmen.

„Komaan!" dacht ik, „hij heeft een gunstig oogenblik uitgekozen; dat pleit voor zijn verstand."

En ik ontving hem zoo hartelijk, dat hij voor altijd van t boomen klauteren genezen was. Ik klom ijlings uit den boom, vilde t dier zorgvuldig, maakte een vuurtje op de sneeuw, en smulde terdege aan een berenboutje, dat inderdaad geen kwaad eten is.

Kort daarop bevond ik mij omstreeks zonsondergang weder in een dicht woud. 't Werd braaf donker, mijn kruit was op,

Sluiten