Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leedwezen nergens te vinden. Zij was ongetwijfeld weggeloopen of gestolen, en ik had geen hoop haar ooit weer te zien. Eindelijk kwam er een gelukkig denkbeeld bij me op.

„Misschien staat de hond nog altijd bij de patrijzen," dacht ik.

Vol hoop en vrees haastte ik mij oogenblikkelijk naar genoemde plek, en daar was ze inderdaad; daar stond ze nog tot mijne onuitsprekelijke vreugde op dezelfde plek, waar ik haar veertien dagen geleden verlaten had.

,,Hi, Diana!" riep ik. „Pak ze!"

Oogenblikkelijk sprong zij naar de patrijzen; zij vlogen op en ik schoot er vijf-en-twintig in één schot. Maar het arme beest had ternauwernood kracht genoeg om mij te volgen, zoo mager en uitgehongerd was het. Om den hond mee naar huis te kunnen brengen, moest ik hem op mijn paard nemen. Rust, goed voedsel en groote zorg gaven hem spoedig gezondheid en kracht terug.

De andere was een windhond, en ik heb nooit een beteren gehad of gezien. Hij werd oud in mijn dienst en was minder merkwaardig om zijne gestalte, dan wel om zijne buitengemeene vlugheid. Hadt gij den hond gezien, ge zoudt hem ongetwijfeld bewonderd en u volstrekt niet verbaasd hebben, dat ik zooveel van hem hield en zoo gaarne met hem jaagde. Hij liep zoo snel, zooveel en zoolang in mijn dienst, dat hij als 't ware zijn pooten tot dicht bij 't lichaam afsleet, en ik het dier op zijn ouden dag nog alleen als dashond kon gebruiken, in welke hoedanigheid hij mij dan ook nog menig jaar trouw diende.

Toen het goede dier nog als hazewind in dienst was — 't was er een van het vrouwelijk geslacht — zat het eens een haas achterna, die mij buitengewoon zwaar en dik voorkwam. Het speet mij voor mijn armen hond, want ze zou juist jongen ter wereld brengen en wilde toch nog even snel loopen als

Sluiten