Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreekt het van zelf, dat ik bij 't nazitten haantje de voorste was, en toen ik zag, dat de vijand zoo vlug de tegenovergestelde poort weer uitvloog, hield ik het voor raadzaam, op 't marktplein halt te houden en daar appèl te laten blazen.

Ik liet mijn paard dus stil houden, maar nu kunt ge u mijne verbazing voorstellen, toen ik noch trompetter, noch eenige levende ziel van mijne huzaren om mij heen zag. — Rennen ze misschien door andere straten? of wat is er van hen geworden? — dacht ik.

Intusschen konden zij, naar mijn vermoeden, onmogelijk ver af zijn, en moesten mij dus spoedig inhalen. In deze verwachting bracht ik mijn naar adem hijgend paard naar een bron op het marktplein en liet het drinken. Het dronk bovenmatig, en scheen een onleschbaren dorst te hebben. Doch hier was een zeer natuurlijke reden voor, want toen ik naar mijne soldaten omzag, wat denkt ge dat mijne oogen aanschouwden? — Dat het geheele achterste gedeelte van 't arme dier verdwenen en letterlijk afgesneden was. 't Water liep er dus van achteren even vlug uit, als het er van voren ingekomen was, zonder dat het mijn paard ten goede kwam of verfrischte.

Hoe dat gebeurd kon zijn, bleef mij een raadsel, tot eindelijk mijn rijknecht van een geheel tegenovergestelde zijde kwam aanrennen en onder een stroom van trouwhartige gelukwenschen en krachtige woorden mij 't volgende mededeelde. Toen ik in vliegenden draf met den vluchtenden vijand binnengedrongen was, had men plotseling eene zware valdeur neergelaten, waardoor 't achterste gedeelte van mijn paard letterlijk werd afgehouwen. Eerst had genoemd achterdeel onder de vijanden, die als 't ware met een dollen kop tegen de poort aangerend waren, door voortdurend achteruitslaan, de vreeselijkste verwoesting aangericht, en daarop was het zegevierend naar een nabij

Sluiten