Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien zij met veel vlugheid gebruikten. Zij hielden op de melkoppervlakte wedloopen en wandelden, zonder te zinken, zoo sierlijk en gemakkelijk daarover heen als wij op eene weide.

Op dit kaas-eiland groeit eene menigte koren met aren, die er als bladen uitzagen, waarin brood lag, dat zoo gegeten kon worden. Op onze tochten over deze kaas ontdekten wij zeventien rivieren van melk en tien van wijn.

Na eene reis van acht-en-dertig dagen kwamen wij aan de tegenovergestelde zijde van die waar wij geland waren. Hier vonden wij blauwe kaas, zooals kaaseters die noemen, en waar de heerlijkste vruchtboomen, als perziken, abrikozen en duizend andere soorten, die wij in het geheel niet kenden, groeiden. Op deze boomen, die ontzaglijk groot zijn, waren eenige menigte vogelnesten, o. a. trof ons een ijsvogelnest, dat vijfmaal zoo groot was als het dak der St.-Pauluskerk te Londen. Het was kunstig uit verbazend groote boomen samengevlochten, en er lagen minstens — laat me eens zien, want ik vertel graag alles nauwkeurig — vijfhonderd eieren in, en elk was omtrent zoo groot als een okshoofd. De jongen daarbinnen konden wij niet alleen zien, maar ook hooren. Toen wij met veel moeite zoo'n ei opengemaakt hadden, kwam er een jong ongevederd vogeltje uit, dat veel grooter was dan twintig volwassen gieren. Wij hadden nauwelijks 't jonge dier de vrijheid gegeven, of de oude ijsvogel daalde naar beneden, greep onzen kapitein in een zijner klauwen, vloog eene mijl ver met hem in de hoogte, sloeg hem terdege met de vleugels en liet hem toen in zee vallen.

De Hollanders zwemmen allen als ratten; hij was dus spoedig weer bij ons, en wij keerden naar ons schip terug. Wij namen echter een anderen weg en zagen nog menig vreemd geval. Zoo schoten wij twee wilde ossen, die maar één hoorn hebben, even als de bewoners, behalve dat hij tusschen de oogen der dieren

Sluiten