Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn hoofd geen twintig vadem meer hoog kon zijn, meende ik eene menschelijke figuur in vrouwelijke kleedij op het zand voor mij te zien liggen. Ik meende eenig teeken van leven bij haar te bespeuren; toen ik naderbij kwam, zag ik hare hand bewegen; ik nam die in de mijne en bracht haar als een lijk op 't strand. Een apotheker, die zijne opleiding van Dr. Hawes ontvangen had (de vader van den baron moet zeer lang geleefd hebben als Dr. Hawes zijn leermeester was), behandelde haar uitmuntend en zij kwam bij. Zij was de wederhelft van een man, die over een te Hellevoetsluis behoorend schip bevel voerde. Hij was juist de haven uitgezeild, toen zij, vernemende dat hij haar wilde verlaten, hem in eene open boot volgde. Zoodra zij het schip beklommen had, vloog zij haar man aan en trachtte hem met zulk eene onstuimigheid te raken, dat hij het voorzichtiger achtte naar de andere zijde te loopen en haar den indruk harer vingers liever op de golven dan op zijn gezicht te laten maken. Hierin vergiste hij zich niet, want, daar zij geen tegenstand ontmoette, viel zij onmiddellijk over boord en het was mijn ongelukkig lot om de oorzaak te zijn, dat dit gelukkige paar weêr bijeengebracht werd.

,,Ik kan gemakkelijk begrijpen welke verwenschingen de man op mij laadde, toen hij bij zijn terugkeer het lieve schepseltje zijne komst verbeidende, weervond en vernam op welke wijze zij weder in 't leven gekomen was. Welke onaangenaamheden ik dien armen man ook bereid hebbe, ik hoop dat hij 't mij vergeven zal, daar de beweegreden goed was, al waren dan ook de gevolgen voor hem verschrikkelijk."

Sluiten