Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blokken op 't dek viel, doodde de eene helft van het scheepsvolk. Daarop beproefde ik van den mast op het ijs te komen. Dit gelukte mij en nu volgde de rest der bemanning, die weldra eveneens behouden op 't eiland aankwam.

De opkomende zon gaf ons weldra een duidelijk begrip van onzen toestand en van het verlies, of liever, het ijs worden van ons schip; want daar het des nachts van alle kanten door ijskasteelen ingesloten was, scheen het ons niet mogelijk het ooit weer vlot te krijgen. Nadat wij beraadslaagd hadden wat ons te doen stond, hakten wij dadelijk het ijs door, maakten eenige kabeltouwen van ons schip los en eveneens de booten, die wij uit al onze macht door 't ijs sleepten, daar wij vast besloten waren, eiland en al thuis te brengen, of wel bij die laatste poging ons leven te laten.

Op den top van het eiland plaatsten wij afval van oud touwwerk en vuilnis van allerlei aard, kortom, wat wij in 't schip maar vangen of grijpen konden, hetgeen binnen weinig tijds, tengevolge van het vloeibaar worden van het ijs en de warmte der zon, in uitmuntende meststof herschapen was. Daar ik zaden van groenten, vruchten en andere eetbare planten in den zak had, groeide er binnen korten tijd zulk eene hoeveelheid vruchten en groenten op 't eiland, dat de geheele bemanning er genoeg aan had. Vooral deden zij hun profijt met den broodboom, waarvan een paar planten in 't schip waren en met een anderen boom, waaraan warme puddingen met zulk eene juiste hoeveelheid suiker, kaneel en al 't overige groeiden, dat allen bekennen moesten, in Engeland nooit iets beters of smakelijkers gegeten te hebben; kortom, ofschoon allerlei ziekten groote verwoestingen onder 't scheepsvolk gemaakt hadden vóór wij tegen het ijs liepen, deden de groenten en vooral de broodvrucht en puddingboom, al die ellende spoedig ophouden.

Sluiten