Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er waren aldus niet vele weken verloopen, daar wij steeds boomende met ongelooflijke inspanning langzaam voortgingen, toen wij eene negervloot ontmoetten. Deze ellendelingen hadden zich van die schepen weten meester te maken, die Europeanen toebehoorden en hadden koloniën gevormd op verscheidene pas ontdekte eilanden nabij de Noordpool, waar zij allerlei soort van dingen plantten, die slechts in het guurste klimaat konden groeien. Daar de zwarte bewoners van Guinea ongeschikt waren voor het klimaat en de buitengewone koude dier landstreek, vormden zij het duivelachtige plan om christenslaven machtig te worden, die het werk konden doen. Daartoe zonden zij ieder jaar schepen naar de kust van Schotland, het noordelijk gedeelte van Ierland en Wales, en werden zelfs soms aan de kust van Cornwall gezien. Wanneer zij dan door list of geweld een groot aantal mannen, vrouwen en kinderen gevangen hadden, voeren zij met hunne ladingen menschenvleesch naar 't andere eind der wereld en verkochten ze aan hunne planters, waar zij hun leven lang als lastdieren moesten werken.

Mijn bloed stolde in 't lichaam bij de gedachte daaraan, terwijl allen op 't eiland hun afgrijzen te kennen gaven, dat zulk een schandelijke handel mocht blijven bestaan. Maar behalve door openlijk geweld, was het onmogelijk gebleken om dien handel te beletten en dit wel ten gevolge van een barbaarsch vooroordeel, dat sedert onheuglijke tijden bij de negers bestond, namelijk, dat de blanken geene ziel hebben.

Niettemin waren wij vast besloten hen aan te vallen. Wij stuurden ons eiland op hen af en boorden hen in den grond; zooveel blanken als ons slechts mogelijk was, redden wij, doch al de zwarten wierpen wij dadelijk weer in zee. De arme schepselen, die wij uit de slavernij redden, waren zoo overgelukkig, dat zij uit dankbaarheid tranen stortten en wij verheugden ons

Sluiten