Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grond raakte. Daarop gaf de Groote Heer mij de hand en verliet ons beiden. Gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik geen oogenblik talmde om des sultans bevel uit te voeren. Ik liet mijn sterksten man halen, die een sterk touw meebracht en begaf mij met hem naar de schatkamer.

Wij vulden menigen zak met hetgeen zij bevatte en lieten weinig over. Niettemin wandelde mijn drager nog welgemoed en vroolijk onder dien last voort. Ik haastte mij naar de haven met mijn schat, nam den vlugsten koopvaarder dien ik vinden kon, en liet onmiddellijk het anker lichten, om zoo spoedig mogelijk mijn schat in veiligheid te kunnen brengen.

Hetgeen ik vreesde, gebeurde ook. De schatbewaarder had zich onmiddellijk naar den Grooten Heer begeven en dien verteld op welke wijze ik van zijne vrijgevigheid gebruik had gemaakt. Zijne Majesteit was er ten hoogste over verbaasd en had spijt van zijn dwaas verlof. Hij beval zijnen admiraal, mij met de geheele Turksche vloot te volgen en mij te doen begrijpen dat hij aldus onze weddenschap niet bedoeld had. Ik was de vloot slechts twee mijlen voor, en toen ik haar met volle zeilen op mij af zag komen, begreep ik dat mijn hoofd losjes op mijn schouders zat. Wat er met mij gebeurd zoude zijn, kon ik maar al te wel gissen, indien een andere gedienstige geest mij niet geholpen had.

Ik moet mijn verhaal even afbreken om uit te leggen hoe ik mij hieruit redde.

Gedurende mijn verblijf in Egypte, waarvan ik in een vroeger gesprek gewaagde, waren wij op eene groote vlakte, toen er een woedende dwarrelwind opstak, die onze paarden en ons zeiven dreigde omver te werpen en in de lucht te slingeren. Links van den weg stonden er zeven windmolens, wier wieken nog sneller ronddraaiden dan 't vlugste rad van een goeden spinner.

Op kleinen afstand stond een man zoo dik als John Falstaff,

Sluiten