Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

„Cuff, waar zit je, jij deugniet? Kom hier en kleed mij uit." De man, die zoo sprak, zag er mooi genoeg uit met zijn zijden jasje, dat rijk met gouddraad bestikt was, zijn nauwsluitende beenbekleeding, zijn sierlijke puntige schoenen en zijn zijden gordel en zijn klein mutsje. De knaap, dien hij riep, was een jonge neger van omstreeks twaalf jaar, ook rijk in zijde en goud gekleed. Hij liep verschrikt naar zijn meester, deed wat hij doen moest en ging toen weer in de voorkamer stil op een stoel zitten denken.

Terwijl dit gebeurt, zijn we echter niet op een plantage in West-Indië, of in het paleis van een negervorst, maar heel eenvoudig in een herberg in een klein stadje in Duitschland en de gebieder

is de hoofdman van een kermistroep uit een

paardenspel!

De kleine Cuff zat een weinig uit te rusten, want het was een vermoeiende dag geweest. Daar hoorde hij alweer de schelle stem van zijn ruwen meester. Hij sprong op en: „Haal mij een flesch champagnewijn!" schreeuwde zijn meester hem toe. Cuff ijlde de trap af en vroeg den waard om den wijn. „Eén

Sluiten