Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat geloof ik wel," zei Maarten, „dat ge denkt, dat ik kleiner ben dan vroeger; ge zijt zelf grooter geworden."

De raadsheer echter deed Maarten zwijgen en zei fluisterend tot zijn vrouw: „Gelooft gij niet, dat dit Emile kon wezen?"

Deze echter, wie de gedachte, een koorddansenden neger tot zoon te hebben, niet beviel, antwoordde eveneens fluisterend: „Geloof me, het is alles bedrog; die lieden zijn zoo verbazend slim; zij hebben een en ander gehoord en een verhaaltje ervan gemaakt en nu hopen ze ons iets af te troggelen, als ze ten minste nog geen erger bedoelingen hebben."

„Nu gaat me een licht op," riep Cuff daartusschen in; „wanneer u het me veroorlooft, zal ik u een plaats wijzen, waar mijn hobbelpaard stond, dat een rood-lederen toom had, en daarboven waren twee hertshoornen, die uit den muur staken."

Hij leidde hen hierop, daar men plaats voor hem maakte en hem daardoor verlof gaf, door de lange huisgang en toen aan de linkerhand in een hoek, waar een deur op de houten galerij uitkwam. De hertshoornen waren er en zelfs het hobbelpaard stond er nog. Mevrouw Androw twijfelde echter nog. Cuft daarentegen, wien de zaak hoe langer zoo helderder scheen te worden, smeekte: „Och, als het werkelijk zoo is, dat ik eens in dit huis gewoond heb, laat mij dan toch niet weer in handen vallen van mijn boozen meester; dit ellendige leven staat me uit den grond mijns harten tegen en ik verlang zoo naar verlossing ervan."

„Dat geloof ik graag," zei mevrouw Androw zacht

Sluiten