Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI.

Amelia kwam als zestienjarig meisje van de kostschool terug. Zij had daar veel geleerd en was natuurlijk heel blij weer thuis te zijn en vooral haar jongsten broeder weer te zien; doch waar zijn vroomheid haar hinderde, daar stootte hij zich weldra aan haar trots.

Emile was zeer verdraagzaam; toch achtte hij het zijn plicht zijn zuster op Gods Woord te wijzen en dat viel zelden in goede aarde; de ouders, die alleen den naam van Christenen droegen, doch in werkelijkheid het niet waren, hadden meer geneigdheid Amelia te helpen dan hem en zoo begon Emile er over te denken, hoe het toch mooglijk was, dat hij zelf in zijn zoo ruw leven zoo godsdienstig was geweest en hij sprak er eens over met zijn moeder. Deze vertelde hem van Anna en hij werd begeerig te weten, waar dat meisje — nu een vrouw — was en hoe het haar ging; hij wilde haar bezoeken. De ouders hadden bezwaar; immers een oude dienstmeid was al te weinig voornaam om haar te bezoeken en ,daarenboven" zei de moeder, „we hebben die Anna eigenlijk weggestuurd, omdat ze de kinderen volpropte met allerlei vrome praatjes, waarmee we als ontwikkelde menschen niet

te doen wilden hebben."

„Zoo?" zei Emile; „maar dan moet ik u toch zeggen, dat ik in den tijd van mijn knechtschap tienmaal ongelukkiger zou geweest zijn, als ik niet had kunnen bidden. Ik zou van verdriet omgekomen

De kleine Negerknaap.

Sluiten