Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I. Treeske en Jan.

Treeske en Jan Bastings keken bedremmeld rond bij de halte, waar zij uit het locaaltje van Hilversum waren gestapt. Een koffertje stond naast hen, en ieder had nog een pakje in de hand, men kon hun aanzien dat zij echt in verlegenheid waren —, zij tuurden scherp den landweg op, alsof zij van daar iemand verwachtten.

„Worden jullie afgehaald?" vraagde de baanwachter; „waar moet je heen?"

„Naar het dorpje L., daar woont onze tante," zei Treeske met bevende stem, zij had moeite haar tranen te weerhouden. — „Mevrouw van den dominee te Weesp- heeft aan tante geschreven om iemand te zenden met een karretje of zoo iets; het koffertje is nogal zwaar, wij

kunnen 't niet best zoo lang dragen Als tante den

brief maar gekregen heeft.-..."

Een boer stond in de nabijheid, hij moest den baanwachter even spreken.

„Waar moeten ze heen?" vraagde hij.

„Naar L." — „Naar onze tante, juffrouw Bastings," voegde Treeske er bij. De boer mompelde eenige woorden, die niet bemoedigend schenen te klinken. „Kent u haar?" vraagde Treeske met verlangenden blik op den boer.

„Kennen.... kennen .... niet zoo heel bijzonder.... maar ik heb wel zoo iets gehoord van jullie komst.... Als tante' een karretje moet zenden," zei hij zachtjes tot

Sluiten