Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den middag Zeg maar aan tante, dat boer Roesting

op zijn wagentje het koffertje meebrengt."

„Dank u wel, dank u wel," klonk het uit beide monden en de dankbare blik, waarmede de afscheidsgroet gepaard ging, bewees wel dat de vriendelijke toespraak van den boer het tweetal veel goed had gedaan. Telkens keerden Treeske en Jan zich om; zij wuifden en knikten, totdat eindelijk bij een bocht van den weg niemand meer te zien was.

„Arme kinderen," herhaalde de boer met een zucht, „zij hadden zulke brave ouders! en nu bij tante Trui! daar zal het meisje ook geen makkelijk leventje hebben! Je kent die juffrouw Bastings zeker ook wel, Jansens?"

„Niet bijzonder, ik heb een paar maal zaken met haar

gedaan erg op de penning, dunkt me, een vriendelijk

mensch is ze juist niet."

„Allesbehalve, eerder het tegenovergestelde!"

„Was zij een zuster van den stuurman?"

„Een halfzuster, veel ouder dan hij; na den dood van hun vader heeft ze haar broer nooit vergeven, dat hij tegen haar zin trouwde; zij heeft een aardig duitje van haar eigen moeders kant, maar die schoonzuster heeft ze nooit kunnen zetten, 't was toch zoo'n best wijfke!"

Treeske en Jan hadden in opgewekte stemming hun tocht begonnen; Treeske was ruim vijftien jaar oud, Jan ongeveer twaalf.

„Wat een vriendelijke man is die boer Roesting," merkte Jan op, toen hun beschermer uit het gezicht was verdwenen, „hoe aardig dat hij vader zoo goed heeft gekend, hè, Trees?"

„Ja, 'k hoop dat hij dikwijls bij tante Trui komt, dan kan ik hem ook veel van ons lief moeke vertellen."

„Met tante Trui kun je ook over moeke spreken, zus; tante is immers bij moeke geweest, toen moeke al erg ziek was. Ik heb tante niet gezien, want ik was bij den schoolmeester in huis, maar jij hebt toch met tante gesproken, Trees."

„Zeker, Jan," antwoordde Treeske, eenigszins ontwijkend,

Sluiten