Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik denk het wel," en onwillekeurig vertraagde het tweetal hun stap, alsof zij het oogenblik van aankomst liefst nog wat uitstelden. Het torentje kwam al duidelijker te voorschijn; tante's woning lag een eindje buiten het dorp; weldra zagen ze dan ook het nette huisje, met een tuintje er voor, en een lapje grond er achter, zeker een moestuin.

„Dat is het," zei Jan.

„Je mo?t vooral heel vriendelijk zijn, hoor broer, tante is al oud." Zij traden het hekje binnen, Treeske liet den

klopper op de voordeur vallen er was nog niemand

te zien, alleen werd een gordijntje voor het raam een ziertje op zij geschoven. Jan's scherp rondturende oogen bemerkten het dadelijk. „Tante kijkt langs 't gordijntje, Trees, zij heeft niets geen prettig gezicht, hoor!"

De kinderen wachtten geduldig; nog een paar minuten, de deur werd geopend, en tante stond voor hen.

HOOFDSTUK II. Bij tante.

„Zoo, ben julüe daar? — je hebt zeker erg getreuzeld onder weg," was de eerste begroeting.

„We hebben een poosje gerust onder een boom bij een beekje, 't was nogal warm," zei Treeske, „hoe maakt u het, tante?" en Treeske hief het gezicht op, alsof zij een zoen verwachtte, die echter niet werd gegeven, alleen een handdruk. — „Dit is Jan, tante, u heeft hem nog niet gezien, hij lijkt erg op vader, zeggen ze."

Even rustte tante's blik op het vroolijke jongensgelaat; ook hem werd een hand toegestoken, maar Jan had ook niets geen verlangen naar een zoen, tante trok hem niet erg aan.

Sluiten