Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Moeten we niet wat betalen voor 't brengen van het koffertje?" vraagde Treeske aan 't hek, half verlegen. — „Wel neen, kindlief, ik heb nog wel wat meer over voor de kinderen van een vroegeren speelmakker;" tegelijk stopte hij haar een gulden in de hand, — „dat is voor postzegels, als Jan weg is; je zult elkaar wel dikwijls schrijven."

Hij sprong op zijn wagentje, en 't was voor de kinderen alsof met boer Roesting een trouwe vriend uit hun gezicht verdween.

's Avonds kwam de zuster van de domineesvrouw te Weesp, die bij een vriendin logeerde, met tante spreken; Jan zou den volgenden morgen onder haar geleide naar zijn nieuw tehuis gaan; hij zou er blijven, totdat hij door den invloed van eenige belangstellenden in het Zeemanshuis te Rotterdam kon worden opgenomen.

Treeske vergezelde Jan des morgens tot aan het huis, waar de juffrouw op hem wachtte; 't was broer en zuster zoo droef te moede, zij konden bijna geen woord zeggen; „o, zus," riep Jan plotseling in snikken uitbarstend, „ik vind 't zoo verschrikkelijk om van je weg te gaan!" — Treeske gevoelde, dat zij zich tegenover haar jonger broertje zooveel mogelijk moest beheerschen. — „Jan," zeide zij, met moeite haar tranen bedwingend, „denk aan wat vader heeft gezegd — je moet flink zijn, en ook mij helpen, en dat zul je doen, als je mij trouw schrijft, prettige lange brieven, alle veertien dagen, Jan, en ik jou ook, — wat zal 't heerlijk zijn elkaar alles te vertellen, en samen over vader en moeke te spreken, al is 't dan ook op't papier.— Hier zijn postzegels voor jou, Jan, — de domineesvrouw heeft me een heel pakje medegegeven, en ook nog geld om nieuwe te koopen, dus, als je er geen meer hebt, zend ik je andere. — Ik schrijf zondag, broer, en dan jij den volgenden zondag!" Het vooruitzicht van Treeske's langen brief deed Jan's tranen drogen, ook zijn vriendelijke geleidster sprak hem bemoedigend toe, het wagentje reed weg, en Treeske bleef alleen, zij voelde zich o zoo eenzaam en verlaten!

Sluiten