Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III. In het nieuwe tehuis.

Eenige weken waren verloopen sedert de komst van Treeske bij tante Trui; in vele opzichten had zij het goed,, tante was wel hoogst zuinig, waar het in haar oog nuttelooze uitgaven betrof, zooals voor gezelligheid, genoegen, en zelfs het verleenen van hulp aan menschen, die het toch maar verkwistten, maar aan goed voedsel ontbrak het Treeske niet. Het jonge hart dorstte echter naar medegevoel en liefde, en 't teedere plantje der liefde scheen in deze kille omgeving geen wortel te kunnen schieten.

Twee maanden geleden was moeder gestorven; Treeske wilde zoo gaarne over haar lief moeke spreken, veel van haar vertellen, — eens was zij over moeder begonnen, toen tante en zij samen de wasch in orde brachten.

„Ik heb 't nooit met je moeder kunnen vinden," had tante kortweg geantwoord, „ik spreek ook liever niet over haar."

Er kwam een koud, verlaten gevoel over Treeske, van dat oogenblik af noemde zij moeke's naam niet meer, maar tante'zelve had Treeske's hart van zich vervreemd. Treeske deed haar werk met ijver, met groote nauwgezetheid; soms sprak tante een woordje van lof, maar 't liet haar koud; zij moest immers wel haar best doen, om het genadebrood te verdienen, dat haar werd geschonken. Werken van den morgen tot den avond, daarin vond zij afleiding, en tegelijk bemoedigde haar de gedachte dat zij op deze wijze toch ook in haar eigen onderhoud voorzag, want zij spaarde tante eene meid uit. In moeke's bijbeltje vond zij altijd haar grootsten troost; 's morgens en 's avonds las zij daarin zooveel heerlijke woorden, door moeder onderstreept, waarover moeke met haar had gesproken; dan was 't haar soms alsof zij aan moeke's ziekbed was gezeten, en weder de zachte, lieve stem hoorde, die haar

Sluiten