Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eens was Griet in den winter erg ziek geweest; er moest hulp zijn om haar te verplegen, de dokter had allerlei versterkende middelen voorgeschreven, niemand kon begrijpen hoe oude Bram met hetgeen hij verdiende in alles kon voorzien.

„Kun je 't wel bolwerken, Bram?" had boer Roesting eens gevraagd, „er komen heel wat onverwachte uitgaven bij een ernstige ziekte, — je weet wel dat je altijd op mij kunt rekenen."

Bram had, zooals hem bevolen was, geen woord gezegd, maar eerst had hij den boer veelbeteekenend aangekeken, toen volgde een handbeweging in de richting van tante Trui's woning, daarna een uitdrukking op het gezicht, alsof hij zeggen wou: „wat die doet, daarvan heeft niemand idee."

„Ik begrijp je, ouwe slimme Bram," zei boer Roesting lachend, „ik ben er blij om, zoowel voor jou en voor

Griet, als voor " en boer Roesting eindigde den zin

met dezelfde mimiek, waardoor Bram zoo meesterlijk zijne gedachten had uitgedrukt.

Och ja, tante Trui was in haar latere levensjaren bijna voor al haar dorpsgenooten een onbekende geworden; slechts enkelen wisten evenals Bram en Griet van een andere tante Trui te spreken, doch op dezelfde voorwaarden als deze. Haar weinig aantrekkelijk uiterlijk was reeds oorzaak geweest, dat men haar niet dadelijk zooveel aandacht schonk als andere, in dit opzicht meer begunstigde meisjes; en een groote teleurstelling in haar jong leven, waarvan niemand, zelfs boer Roesting in eigen persoon nooit iets had vermoed, wekte nieuwe verbittering.

Sedert den vroegen dood van haar tweede moeder wijdde zij al haar zorgen en liefde aan haar zooveel jonger broertje, zij had hem lief tot in het overdrevene, kon zelfs niet goed dulden, dat de kleine jongen zich ook aan anderen hechtte; de groote zelfopoffering van zijne zuster werd niet altijd door broer Jan genoeg gewaardeerd, omdat hij er aan gewoon was geraakt. Later was het hem een

Wolken met zilveren rand 2

Sluiten