Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jan, die Treeske toeriep: „Vele groeten aan tante, zus, zeg dat ik tante morgen even kom goedendag zeggen!"

Die woorden deden tante goed, evenals Treeske's dankbare blik en handdruk.

HOOFDSTUK V. Donkere uren.

t Was Februari, een Februarimaand die aan het voorjaar deed denken; vroege heesters vertoonden kleine blaadjes, en lieve voorjaarsbloempjes staken de kopjes boven den grond, alsof zij geheel vergaten dat Maartsche stormen zooveel liefs en schoons weieens zouden kunnen vernietigen. Ook Treeske verheugde zich in het herleven der natuur, doch niet met onverdeeld genot.

Tante was den laatsten tijd, en vooral de laatste dagen weêr veel moeielijker in den omgang; Treeske moest weêr menige aanmerking hooren over het geld dat ze aan postzegels verkwistte; „ik kan niet begrijpen waar je het vandaan haalt," had tante zelfs eens tot haar gezegd. Die postzegelkwestie begon Treeske zelve ook te verontrusten, want haar kleine schat verminderde op schrikbarende wijze. Tante had haar met Nieuwjaar een gulden gegeven en er de vermaning bijgevoegd het geld nuttig te besteden. Zij zou dus aan tante geen geld durven of willen vragen, al meende zij behalve den kost en de geringe uitgaven voor kleeding, toch wel recht te hebben op een kleine geldelijke tegemoetkoming. Onlangs had Treeske aan Mientje Roesting gevraagd of zij bij Mientje's moeder of andere menschen niet een kleinigheid zou kunnen verdienen met breien of naaien.

„Maar Treeske," had Mientje verwonderd uitgeroepen, „wanneer wil je dat doen ? — je werkt toch den heelen dag?"

Sluiten