Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Schoon alles 't onderstboven raak',

't Gebergt' in zee verzink',

En d' aard zich van haar plaats verzett',

Ik zal uw Toevlucht zijn."

En 't arme jonge hart kwam eenigszins tot bedaren, „Jezus, mijn Toevlucht," fluisterde zij, „help mij, wijs mij den weg." Zij ontkleedde zich, en toen zij zich ter ruste legde, stortte zij als vanzelf al hare angsten en zorgen uit in het geliefde lied:

Houd Gij mijn handen beide

Met kracht omvat,

Heer, geef mij Uw geleide

Op 't smalle pad!

Alleen kan ik niet verder,

Geen enkele treê,

Neem, trouwe Zielenherder,

Mij, arme, meê!

De volgende dag ging voorbij zooals de vorige. Tante deed des morgens dezelfde vraag, Treesje gaf er geen antwoord op; 't was alsof zij zich met nog meer ijver wijdde aan haar werk, zij poetste en wreef, bracht kasten in orde, die eigenlijk pas de volgende week daarvoor in aanmerking kwamen.

Wie meer bepaald op tante had gelet, zou denkelijk tot het vermoeden zijn gekomen, dat tante's driftbui was geweken. Haar gezicht was nog somber en streng, maar af en toe zag zij naar Treeske met bezorgden blik; zij had de doekjes nagezien bij het venster, door haar bril, nergens had zij een stopje kunnen bespeuren, eindelijk voelde zij met haren vinger een kleine oneffenheid, ja, nu zag zij een uiterst fijn klein stopje, 't was dus geen verzinsel geweest, zooals tante had gezegd. „Wat heeft zij 't keurig gedaan, ... men ziet er niets van 1... Zou ik mij toch misschien verteld hebben," vraagde zij zich zelve af, „ik heb het zoo nauwkeurig gedaan, wel een maal of drie, en altijd

Sluiten