Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een meisje noodig, mijn dochter heeft er gediend, eer ze trouwde, maar ze zullen je zoo maar niet nemen; heb je goede getuigen bij je?" Treeske zag hem verschrikt aan, zonder te antwoorden. — „Zoo, heb je die niet, dat is jammer, heb je dan niet gediend?"

„Ik woonde bij een tante," stamelde 't meisje, „maar 't ging niet."

„Die zaak is niet in orde," dacht de boer, zonder meer te vragen. — „Ziezoo, hier moet je er af," zei hij na een poosje bij een zijweg, „ik moet dien kant uit."

Treeske 'dankte den ouden man op droeven toon; hij zag haar treurigen blik.

„De boerderij ligt nog een eindje verder," vervolgde hij meêwarig, „altijd maar recht toe,.... je kunt het in elk geval eens probeeren, al ben ik bang dat 't niet zal lukken Vooral de waarheid spreken, hoor, denk daaraan nou, 't beste!" en 't karretje verdween.

„Getuigen getuigen " herhaalde zij droevig,

„daaraan heb ik heelemaal niet gedacht ! wie zal me

nemen zonder getuigen, — ik kan niemand noemen, en als ik het vertel, zal men mij niet gelooven!" — Groote angst maakte zich van haar meester, „wat zal ik beginnen als niemand me wil nemen?" — 't Was al lang over den middag, zij probeerde een stukje te eten, maar 't ging niet, — 't was alsof elke brok haar in de keel bleef steken. Zij zette haren weg voort; 't duurde niet lang of zij zag in de verte een groote boerderij — onwillekeurig vertraagde zij haar schreden;, wat zou zij antwoorden als de boerin vraagde naar getuigen? „Heer, help me!" smeekte zij, en langzaam, met loome schreden trad zij het groote hek binnen.

De boerin, een jonge vrouw met vriendelijk gelaat, kwam juist uit een der bijgebouwen, een kind aan de hand. Zij zag de jeugdige vreemdelinge, en ging haar een eind tegemoet. „Hebt ge een boodschap?" vraagde zij minzaam, dadelijk trof haar het vermoeide uiterlijk van het jonge meisje. „Een oude boer heeft me gezegd dat u een werkmeisje noodig heeft," zei Treeske aarzelend.

Sluiten