Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij hebt ons genoeg verteld, en wij gelooven dat ge de waarheid spreekt. Over dat bankbriefje zou ik maar niet tobben, tante heeft zich óf verteld, óf 't ligt ergens in een verborgen hoekje, en dan komt het nog wel voor den dag.... vanavond is mijn raad „gauw naar bed na al die vermoeienissen.... maar we weten nog niet hoe ge heet?"

„Treeske Bastings," was het matte antwoord.

„Bastings.... zoo zoo!.... goeden nacht, Treeske," ging hij voort haar de hand reikend, „denk maar aan het mooie psalmversje: „de Heer zal u steeds gadeslaan, opdat Hij in gevaar uw ziel voor ramp bewaar, dan kunt ge rustig zijn."

Treeske nam haar bundeltje uit het voorhuis, en volgde de boerin; hoe vermoeid en uitgeput zij zich ook gevoelde, 't was haar toch alsof zij van een zwaren last was bevrijd, nu zij 't hart bij deze brave medelijdende menschen had mogen uitstorten.

„Wij hebben altijd een bed gereed voor een onverwachten gast, ik hoop dat gij er vannacht goed op zult rusten, Treeske; ontkleed je maar gauw, als ge in bed ligt, breng ik een bord warme melksoep, dat zal je goed doen."

De boerin keerde na een poosje terug, zij zag door de half geopende deur Treeske geknield voor haar bed. „Dat is een goed teeken," dacht zij, „bidden wanneer men in zorg is, maar ook danken bij de uitredding." Zij zette zich naast het bed neder, terwijl Treeske de pap nuttigde. „Ziezoo, en nu rustig gaan slapen en morgen niet aan opstaan denken; je zult wel heel wat slaap te goed hebben, ik zal je wel komen waarschuwen, wanneer het al te lang duurt."

Treeske sloeg de betraande oogen met dankbaren blik op tot haar vriendelijke beschermster en weldra viel zij in een rustigen slaap.

„De namen Roesting en Bastings zullen je ook wel bekend zijn, vrouw," sprak de boer, toen zijn vrouw zich weder bij den haard nederzette, „de jonge Roesting is mij

Sluiten