Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zou zij willen?" vraagde Bram met een lichtstraal van vreugd op het gelaat bij de gedachte alleen.

„Als Treeske weet dat zij noodig is, komt zij zeker, daarvan ben ik overtuigd," was het besliste antwoord.

„En tante, zou zij Treeske bij zich willen hebben?"

„Dat moeten we afwachten, Bram." — „Je hebt 't alweêr aan 't rechte eind," zei Roesting, zijn vrouw op den schouder kloppend, „ik ga dadelijk het wagentje inspannen, en rijd er heen wie weet of ik Treeske niet

medebreng!"

HOOFDSTUK VII.

Door strijd en lijden elkaar gevonden.

Treeske was druk bezig in de huiskamer; tegenwoordig zong ze weêr onder het werk, evenals in de gelukkige dagen thuis vóór moeke's ziekte. Jan was in de Paaschvacantie een paar dagen op bezoek geweest, och, wat hadden broer en zuster van dat heerlijke samenzijn genoten! iedereen had schik in dien vroolijken, aardigen Jan!

Treeske had hem natuurlijk nog eenige bijzonderheden verteld over haar vertrek uit tante's woning zonder echter de ware reden te noemen, maar Jan had er zich niet eens erg in verdiept. Hij was veel te blij dat Treeske er zoo goed uitzag, en zich zoo gelukkig voelde bij oom en tante Meertens. De vriendelijke boerin was er op gesteld geweest dat Treeske „oom en tante" zou zeggen; „ik houd van je als van een eigen nichtje," had zij gezegd, „en, Jan, als Treeske mijn nichtje is, ben jij natuurlijk mijn neefje, hoor!" nu, daartegen had Jan niet het minste bezwaar.

„Tante," riep Treeske van haar werk opziende door het geratel van wielen, „daar - komt een wagentje den weg oprijden zou het de familie uit Maartensdijk zijn?"

„Weineen, kind, die komen nooit om dezen tijd."

Sluiten