Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat zullen we met tante's huisje doen, Treeske?" vraagde boer Roesting, die voor Treeske's belangen zou zorgen, eenige weken na tante's dood.

„Zal ik u eens zeggen wat ik bedacht heb? — We moesten het verhuren aan Bram met zijn vrouw en zijn nichtje, voor hetzelfde huurtje dat hij nu voor zijn kleine woning betaalt. En dan had ik graag dat mijn kamertje blijft zooals het is; als ik dan eens een dagje bij u kom, kan ik daar altijd slapen, en 's morgens vroeg naar Ruimzicht terugkeeren, en Jan later ook, als bij u het huis vol is. Wat zegt u van mijn plan, boer Roesting?"

„Uitstekend, kind, dat zou tante genoegen doen. — Vertel het zelf maar aan Bram, dan zui je zijn gezicht eens zien!"

Bram was in de wolken, — hij had er al over getobd dat tuintje en akker nu door anderen zouden bearbeid worden; die zorg werd plotseling weggenomen, en nu werkte hij, zoo mogelijk, nog harder dan hij gedurende het leven van tante Trui had gedaan; als Treeske hem zeide zich toch niet te veel te vermoeien, was het eenige antwoord: „daar mag niets aan mankeeren, hoor, niets."

't Was vreugd in de kleine woning wanneer Treeske haar bezoek aankondigde, en een paar jaar later niet minder als Jan bij het terugkeeren van een zeereis ook een nachtje bij ouden Bram overbleef. Dan moest de jonge zeeman alles haarfijn vertellen, alles wat hij had gezien en doorgemaakt; meermalen schudde de oude man welbehaaglijk het hoofd, en verklaarde hij metgroote voldoening: „precies

je vader, hoor, precies dat zou hij ook gezegd of

gedaan hebben!"

Dichte wolken waren over Treeske's jeugdig leven heengegaan, maar — wolken met zilveren rand; zij hadden Treeske dichter gebracht tot haren Heiland, de eenige veilige Toevlucht in jeugd en ouderdom, in vreugd en droefheid, in leven en in sterven voor het dikwerf zoo zwakke, bekommerde menschenhart.

Sluiten