Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtspraak, is de leer van het gezag -van het gewijsde. Dit niet enkel omdat zij genoeg stof levert tot een afzonderlijk boek, maar ook omdat men bij ons nu eenmaal gewoon is dit leerstuk, dat m. i. van staatsrechtelijken aard is, te behandelen naar aanleiding van boek IV titel 4 (Ontw. Wijzig.: titel 6) B. W. — Intusschen wordt in dit werk een speciaal hoofdstuk der Alg. Begins. (VI) gewijd aan de jurisprudentie en litteratuur over het gezag van gewijsde van het vonnis omtrent de rechterlijke competentie, nergens elders naar mijn weten bijeengebracht; terwijl in hoofdstuk XIY, dat over de praejudicieele geschilpunten handelt, met een enkel woord de controverse over den omvang van het gezag van gewijsde voor de beslissingen in deze, wordt aangeroerd, voorzoover deze kwestie n.1. in verband staat met de competentie. Verder wordt in hoofdstuk XV, waarin de vraag naar de gebondenheid des rechters aan de beslissingen van anderen ter sprake komt, ook behandeld die naar het gezag van gewijsde van uitspraken van den administratieven rechter voor burgerlijke en strafzaken (en omgekeerd), alsmede van vonnissen van den burgerlijken rechter voor de strafzaak. Zie ook over het gemis van gezag van gewijsde bij de voluntaire jurisdiktie: Alg. Begins. II no. 2 in verband met VI no. 12 en 13.

De verhouding van Administratie tot Justitie is onder de Alg. Begins. slechts behandeld voor zoover zij betreft die van den rechter, wiens competentie vaststaat, tot de Administratie. Een onderdeel hiervan is de vraag naar zijn gebondenheid aan administratieve beslissingen. Daarom wordt hier in hoofdstuk XV ook opgenomen de jurisprudentie en litteratuur over de kracht der liggers van wegen voor de rechterlijke macht. — De begrenzing echter der competentie zelf van de rechterlijke macht behoort op art. 2 R,. O., dat op die competentie betrekking heeft. Daar wordt dan ook zooveel mogelijk de geheele jurisprudentie hieromtrent opgenomen, ook waar deze zelf zich meer op het korrespondeerende Grondwetsartikel beroept dan op art. 2 R. O. Een juiste verdeeling der stof over die twee artikelen is niet enkel ondoenlijk, maar ook ongewenscht: men moet bijeen kunnen

Sluiten