Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesammte Strafrechtswissensch. 4 (1884) p. 449—451, 455—456; Deknburg hierboven geciteerd; J. W. Planck, Lehrb. des deutschen Civ.proz.rechts I (1887) § 75 p. 442; Kierulff, Theorie des gemeinen Civilrechts (1839) p. 42—44.

Bij het voorafgaande vgl. ook Buijs, De Grondwet II p. 109— 111, wiens betoog wel argumenten bevat voor de stelling, dat administratiefrechterlijke uitspraken geen vonnissen zijn in den zin der Grw. van 1848, doch m. i. uit het oog verliest, dat de aard der dingen niet veranderd wordt door de opvatting des wetgevers, zoodat wat deze voor administratie houdt, toch zeer wel rechtspraak kan zijn.

§ 2.

2. De vraag of zekere ambtshandeling was te beschouwen als rechtspraak dan wel als administratie kwam ter sprake bij de volgende beslissingen:

a. Het bevel van het administratief gezag tot opruiming van een werk, in welk bevel wel de klacht van een derde wordt vermeld, doch niet dat hij wien het bevel gold, kennis droeg van die klacht en haar ongegrond oordeelde, dus ook niet dat de klager kennis droeg van de bedenkingen van den ander en deze ongegrond oordeelde, — is geen beslissing van een geschil tusschen belanghebbenden. Zoo H. R. 14 Mei 1872 W. 3471, v. d. Hon. G. Z. 26 p. 279 (op dit punt contra O. M.).

3. b. De beslissing van den Minister, bedoeld in artt. Ï3 en 14 der Spoorwegwet van 9 April 1875 Stbl. 67, werd uitdrukkelijk als een administratiefrechtelijke (waarmee blijkens het vonnis zelf is bedoeld: administratiefrechterlijke) uitspraak beschouwd door Ktg. Dordt 9 Nov. 1887 W. 5619. Of deze — aan bedenking onderhevige — opvatting wel of niet is gedeeld door H. R. 4 Juni 1888 W. 5567, R.spr. 149 § 21, v. d. Hon. G. Z. 37 p. 255, P. v. J. 1888 no. 85, casseerend een vonnis waarbij het gemelde van Ktg. Dordt was bevestigd, — blijkt niet uit het arrest. Zie dit arrest nader sub Alg. Begins. XIY no. 11.

Sluiten