Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. De vraag deed zich voor of er eigenlijke dan wel oneigenlijke rechtspraak is, waar toepassing wordt verlangd van art. 380 B. W. In eerstbedoelden zin besliste Rb. Haarlem 20Febr. 1900 W. 7437, P. v. J., 1901 no. 16, W. v. N. R. 1583, bier een twistgeding aanwezig achtend, op grond dat de tusschenkomst des rechters wordt ingeroepen over een schuldvordering. Anders in appèl Hof Amst. 13 Maart 1900 t. a. p., omdat het hier geldt een verzoek tot vermindering van het eens vastgesteld bedrag, ingevolge de wet tot den rechter gericht. Ygl. de jurisprudentie vermeld in W. v. N. R. nos. 1505, 1796 en 1811 en de Red. aldaar, alsmede de hierboven sub I no. 7 geciteerde dissertatie van Parser p. 86.

4. Gelijke vraag als sub no. 3 is geopperd ter zake der vordering van het O. M. tot vervallenverklaring eener vereeniging van hare rechtspersoonlijkheid. De meening dat het hier geldt voluntaire jurisdiktie is speciaal verkondigd door de Red. in W. B. A. 2831, 2911 jo 2947. Zie voor de jurisprudentie en litteratuur hierover, vermeld in de noot der Red. in W. v. h. R. 8323 p. 2 achter het daar opgenomen arrest Hof Amst., nader op art. 2. R. O. sub B § 2 (Publiek recht tegenover privaat recht, publiekrechtelijke geschillen).

5. In W. v. N. R. 1622 betoogt prof. Hamaker dat een vordering tot echtscheiding niet zou zijn een privaatrechtelijke actie. Zijn gelijkstelling van de ontbinding met de voltrekking van het huwelijk leidt tot de beschouwing dat de rechter bij echtscheiding voluntaire jurisdiktie uitoefent. In dien zin ook Red. in W. B. A. 2911 (p. 1 kol. 3—p. 2 kol. 1). Ygl. de sub I no. 7 geciteerde diss. van Parser p. 73, 74, 86 nt. 1.

©. Ygl. Alg. Begins. sub III, no. 4.

Sluiten