Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wegende dat de wet van 19 Juli 1870 Stbl. no. 119 Prov. Staten niet machtigt voor deze aangelegenheid gebruik te maken van de tusschenkomst der rechterlijke macht (vgl. hieromtrent no. 6 en 7). Dit vonnis is echter vernietigd door Hof 's Grav. 28 Nov. 1887 AV. 5529, AV. B. A. 2027, op grond dat geen wettelijk voorschrift de rechterlijke macht verbiedt te voldoen aan het verzoek tot de benoeming van een deskundige in deze, die geen bezwaar opleverde, terwijl weigering tot moeielijkheden aanleiding gaf. — Vgl. hierbij H. R. 8 Maart 1888 AV. 5530, R.spr. 148 § 33, v. d. Hon. G. Z. 37 p. 146, P. v. J. 1888 no. 35, G. st. 1906, AV. B. A. 2027, beslissend dat, daalde Kieswet geen andere schatting kent dan die overeenkomstig haar bepalingen, de rechter daar buiten om geen schatters in deze mag benoemen. — Zie ook Hof Amst. 17 Febr. 1876 AV. 4090: buiten de bij de wet bepaalde gevallen kan niet bij rau-actie van den President in kort geding benoeming van deskundigen gevraagd. Vgl. hierbij de jurisprudentie op art. 289 Rv. hieromtrent en Faure, Procesrecht IV, 1 § 104 p. 97—103. — Daarentegen is het stelsel van het geciteerde arrest Hof's Grav. van 1887, ten opzichte der voorziening in het vacante beheer eener stichting, ook aangenomen door Rb. Haarlem 20 Januari 1885 AV. 5200, contra de conclusie O. M., die hiertoe een stellige Wetsbepaling noodig achtte. Vgl. hierbij de jurisprudentie hieromtrent op art. 1067 B. AV. — Voor de benoeming van scheidslieden door den rechter in gelijken zin als de laatstelijk geciteerde conclusie O. M. en de hiervóór vermelde jurisprudentie: Ktg. 'sGrav. 16 Sept. 1904 AV. 8146, echter vernietigd door Rb. 'sGrav. 1 Nov. 1904 AV. 1.1. op grond van de opvatting der Rb. van art. 43 R. O., zie het vonnis op dit art. 43. Vgl. hierbij ook H. R. 26 Mei 1905 AV. 8232, R.spr. 200 § 18, P. v. J. no. 452, Verwerpend de cassatie tegen Hof 'sGrav. 8 Febr. 1904 AV. 8117, waarbij was bevestigd Rb. Rott. 30 Juni 1902 AV. 7881. Hier gold het echter niet de bevoegdheid van den Kantonrechter tot het benoemen van scheidslieden, doch alleen de geldigheid van het beding over zulke benoeming voor partijen. In de concl.

Sluiten