Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukkelijk ontkennend, terwijl het Hof enkel aannam, dat de rechter aan de opdracht mocht voldoen, zonder te onderzoeken of hij hiertoe ook verplicht was. Vgl. hierbij G. st, 1544, naar aanleiding van art. 141 Prov. wet betoogende dat ongeldig is de bepaling in een prov. reglement, dat de opzichters van mijngroeven worden beëedigd door den Kantonrechter, daar de aanwijzing van den werkkring der rechterlijke macht is een onderwerp van algemeen Rijksbelang. — Zoo oordeelde ook de Min. v. Binn. Z. bij missive van 8 Aug. 1859, dat een gemeenteverordening de beëediging van deskundigen in zake de bouwvalligheid van huizen niet aan den Kantonrechter kan opdragen. Vgl. no. 7.

9. Meer in het algemeen (vgl. no. 6) kan men vragen of provincie, gemeente, enz. aan eenig Rijksorgaan wel een verplichting zouden kunnen opleggen zonder wettelijke machtiging, en zoo neen, of dit orgaan dan toch zich bevoegd kan achten tot het verrichten der verlangde werkzaamheid. Vgl. hierbij speciaal over opdracht van rechtsmacht bij prov. reglement aan de Kroon, G. v. Oosterwijk in W. B. A. 995. Men denke echter ook aan de koninklijke goedkeuring van prov. verordeningen. Vgl. ook over dergelijke opdracht bij verordening in het algemeen de opmerking van J. H. Beucker Andrej3, De onderhoudsplicht van vaarten enz. in Friesland, diss. Leiden 1898 p. 129. Deze gispt ook 1.1. p. 86 een vonnis Rb. Sneek 1 Nov. 1866 W. 2848, G. st. 795, dat, behalve op andere gronden, de rechterlijke macht competent achtte op overweging dat een prov. reglement art. 15 der wet van 22 Mei 1845 Stbl. 22 toepasselijk had verklaard. In appèl achtte Hof Friesland 8 April 1868 W. 2994, G. st. 869, W. B. A. 1018 art. 260 Gem.wet en daarom ook genoemd art. 15 van toepassing, doch overwoog uitdrukkelijk dat het prov. reglement niet vermocht de wet van 1845 toepasselijk te maken. In cassatie (H. R. 5 Febr. 1869 W. 3088, R.spr. 91 § 13, Bel. 9 p. 402, G. st. 915, W. B. A. 1032) werd dit punt door den H. R. niet behandeld.

8. Dat bij een reglement niet afkomstig van een staatsrechtelijk lichaam — in casu een kerkelijk reglement — de rechterlijke

Sluiten